is toegevoegd aan uw favorieten.

Kroniek der Nederlandsche letteren, 1917-1918

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ZOEKENDE.14

Er zijn, tusschen deze twaalf schetsen van Samuel Goudsmit, een drietal opeenvolgende, waarmede de schrijver, in een fantastischen vorm, een uiting zoekt voor wat de oude wereld en het nieuwe denken zijn hart aan vreugde brengen, en smart en strijd. Aan het eerste dier drie schetsen ontleent de bundel zijn naam: „Droom en Wereld". Een verarmd kunstenaar, wien de deurwaarders niet dan één schilderijtje — symbool van zijn kunst- en schoonheidsdrang — de schoone beeltenis van Leonardo's Beatrice d'Este, lieten, raakt verzeild, mét dat schilderij'tje, op den zolder van een nachtasyl. Hij heeft afgedaan met het genot en met de verlokkingen van deze maatschappij en hij heeft gevonden de liefde voor de paupers, met wie hij de schamele slaap vliering deelt. Maar wat moet hij doen met zijn Beatrice, met dien glans van zijn knapengedachten, dien droom eener onbestaanbare en verworpen wereld ? Ook van haar zal hij moeten scheiden, want hij heeft gezien, (de zegging is niet al te helder), „dat er twee waardigheden zijn, die te zamen geen vriendschap kunnen bestendigen."

De scharesliep is thuis en ronkt op zijn magere bed, en de liedjeszanger is thuis en zucht zijn vermoeienissen uit in den diepen slaap. Maar Potje, de zwerver, is nog niet thuis.

„Beatrice, luister je niet? Potje krabbelt de trappen

i) Sam. Goudsmit. Droom en Wereld. (Amsterdam. J. Emmering.)