is toegevoegd aan uw favorieten.

Mijn Brugge

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN DE BOSSCHEN.

Ik leef in de bosschen: daar klopt mijn hart,

In de bosschen en op de bergen,

Waar men van sprookjesprincessen droomt,

Gediend door kabouters en dwergen.

En daar waren we saam eens. We stegen zoo graag

Ten toren, die rijst uit de boomen,

Als 's morgens de nevelspoken, in stoet,

Voor het licht gaan zwichten en schromen.

'k Beleef 'tweer: — rondom uit den paarlenden dauw,

Uit de blinkende beukenkruinen,

Uit de sparren, verheft zich een wierook hierheen, Als ware 't de groet dezer puinen.

En beneên, onder 't groen, in het morgengrauw,

Daar strekt een tapijt zich van bloemen:

't Is het goud van de brem, 't rozig heidekruid,

Geur en bloei, met geen namen te noemen.

En dat lonkt er en lokt, naar omhoog, naar omlaag,

Als gold het ons bet op de tinnen;

Mijn herteprincesken, och, u vooral,

Op mijn schouder nog droomend van minnen.