is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ja, tegen 't leedvermaak dat luide

galmde bij 't geboomte, al wist zij wie daar lagen

en wat een nijd hun spot beduidde,

scheen zij aleveneens door meer verdriet verhard.

Om die kalmte woest, niet dansend meer, niet zingend,

sarrender nog toedringend,

schold Zilpa: « Wreede vrouw, hebt gij

met klaaggesmeek en vleierij

den vader aangehangen ?

een traan gelokt op uw harde wangen ?

met koude tangen

zijn ziel gescheurd en gegrijnsd daarbij ?

Hebt gij de kranke, de dooddoorgriefde,

om haar laatsten zoon geplaagd met uw recht ?

Uw recht, booze? Wat raakt mij uw recht?

Ik lach om recht,

ik treed op recht.

Als Sjela zijn arm om mijn schouder legt,

waar is uw recht, bij liefde ?

Hoor, uw zwagers lachen om mijn lach.

Zij joelen wijl ik, arme,

mijn voet plant voor uw voet,

een boele

en kuddemeid, dat God erbarme,

die niets hebben mag, niets hopen mag,

en, groote, u vreezen moet.

Zij hunkren naar goud en zilverlingen,

naar Juda's vee en volk, naar Sjela's erve.