is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij weet zijn wegen. »

Met den avond trad Nahor zijne woning binnen, zag onder der lampe geluwen schijn en wit gewalm zijn dochteren en haar vrouwen zitten en spinnen, zag Bethuël nijdig in de weer en Serug kalm,

zag alles door elkaar en weer afzonderlijk Tamar in gepeinzen, vredige en vroede,

ver en wonderlijk verdiept :

Hoe was het in Adullam, met Juda en Sjua, de goede ? Met Sjela en zijn zusteren? En Hira, den geduldige? Ach, de wind, die hijgt en zwiept,

en alle bladeren, hoor, ze varen uit Gods hand.

Alzoo, in schijn van schuld doorgaans onschuldige, de dagen van de menschen.

Weer kende Nahor, aan haar klare voorhoofd, haar vroom

[ verstand,

en met ontroerde vaderlijke wenschen voor haar hoop en heil,

wandelden zijn oogen tot de hare, zegenend.

Daarbuiten woei een waaien vermanend van hut tot hut, van tent tot tent.

Dat was de winterstorm niet, die de staken schudt, de deuren schendt,

dat was de herfstgeest, flappend op het zeil,

en langzaam looveren regenend.