is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En vriendelijk sprak hij met de scheerders en de hoeders. Want hij verheugde zich dat alles voegelijk was. Zoo streelde hij zijn baard en rijzende gedachte en ging, in het roode goudslaan van den avondschijn, ten westkant op de baan van Timna staan,

en wachtte.

Want om die stonde kon Hira komend zijn.

Toen, op den uitkijk, hoorde hij een naderend blaten.

Daar zag hij zijnen vriend weerkeeren met den bok,

die halsuitstrekkend aan het spannend leizeel trok

om in den rozigen beemd gelaten,

te loopen, te grazen bij zijn maats.

Juda, zich verwonderend, Hira tegenvoer,

vragend : « Waar zijn mijn staf, mijn zegelring en snoer ? »

Aireede bezig met het gulzig dier te ontbinden,

sprak Hira : « De vrouw is daar niet meer.

Den langen dalweg liep

ik tweemaal op en neer

en zoekend riep

het woud in ; doch vergeefs. Ik kon haar nergens vinden.

Toen vroeg ik aan de lieden van de plaats :

Waar is de hoer,

die bij de twee Fonteinen

aan den weg was ? En zij zeiden : Hier is geen hoer geweest.

Zoek dus niet verder ; 't is verloren pijne. »

Hira liet het losse beest

bij de andere drommen in de weide

en, moede van den tocht, wou zich ter rust ontgorden. Juda zeide :