is toegevoegd aan uw favorieten.

"Tamar"

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Weg de overspelige, de zondezwangere, de vloekaanbren-

[gende !

Wreekt Er, wreekt Onan.

Ter dood, ter dood ! Zij heeft gehoereerd ! »

Hun doorgang borend tusschen de scharen, steeds verengende,

daar handen en vuisten hieven omhoog,

geduldig

stapten de kemelen.

Hira die de voorste toog,

wierp op het dringen en wilde wemelen,

links en rechts, een vertoorend en verachtend oog.

Ongebogen, licht verbleekend,

starend, in ver aanschouwen

en wonder droomen,

naar beter land en heiliger rijk,

was Tamar boven hare vrouwen

uitstekend

hoog en schoon, den palm gelijk

die uitsteekt boven andere boomen.

Op het razen van het volk

omheen haarzelve en de haren

sloeg zij nauwelijks

acht, niet meer dan op een wolk

vol grauws en grauwelijks,

die barsten moet om op te klaren.

Want wie daar gaat op Jahwes wegen

vindt ook de zorg een zegen

en niets benauwelijks.

Hagar, indachtig wie eens haar kruik droeg naar de bron,