is toegevoegd aan uw favorieten.

Meivuur

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even, naast de haag van het tuintje, blijft zij staan, en - naar het huisje kijkend, met vriendelijk-schalke bedoeling, toch met innigheid:

Maar wien ik zal minnen mijn leven lang,

hém noemt er het vinkje in zijn oolijk gezang...

Stiller, het eigenaardig gefluit van de vink nabootsend:

Ci-ïs !

Ci-ïs !

Wat een wondere en aardige vogel dat is !

Zij is tot den dorpel van haar huisje genaderd. Cis treedt haar in den weg en houdt haar tegen.

Zandriene,

geschrokken, boersch-eenvoudig:

Ei mij!

Zij laat den bussel vallen en de sikkel en ziet Cis zich bukken, om ze op te rapen. Dan gaat zij ineens aan 't lachen, terwijl hij 't vrachtje in de voorvloer neerlegt.

Cis,

aarzelend, schuchter:

Zandriene... Meinacht is het heden...

Zandriene, hoor... 'k Had u zoo gaarn gebeden

al lang reeds... — Zeg!... Zeg, of gij al... bemint.

Zandriene,

schertsend, toch wat verlegen:

Of ik al min...? Wat dwaze vraag toch, vrind! Wat kan een meisjen anders dan... beminnen!

Als zich vermannend:

Nu ja, 'k bemin !

8 Cis,