is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

knapen en zich tot de Chatillon keerende sprak hij : « Mijnheer!...... gij schijnt te vergeten, dat ik Vlaanderen

van mijnen broeder en koning Philippe ter leen heb. Die Vlaming is mijn vazal. Gij hebt geen recht op zijn leven, vermits hij mij alleen toebehoort. »

« Zal ik mij dan door eenen slechten boer laten bespotten? » vroeg de Chatillon met spijt. « Waarlijk Graaf, ik versta niet waarom gij altijd het geringe volk tegen de Edelen voorstaat. Zal die Vlaming zich beroemen, dat hij eenen Franschen ridder ongestraft gehoond heeft? En, zegt gij het, mijne heeren, heeft hij den dood niet verdiend? »

« Mijnheer de Valois, 8 » antwoordde de St.-Pol, « verleen mijn broeder de kleine vertroosting, dien Vlaming te zien hangen. Wat geeft het leven van dien koppigen laat aan uwe Prinselijke Hoogheid? »

« Hoort, mijne heeren, » riep Charles de Valois met toorn, « mij is uwe losse taal ten hoogste onaangenaam. Het leven van een onderdaan is mij van groot gewicht, en ik begeer dat men den jongeling ongehinderd late. Te veel tijds is hieraan verspild. »

« Komaan, de Chatillon, » morde de St.-Pol tot zijnen broeder, « stijg op het ros van uwen schildknaap en laat ons gaan, want mijnheer de Valois is een ongeloovig volksgezinde. »

Intusschen hadden de schildknapen hunne wapens in de scheede gestoken en waren nu bezig met de peerden hunner meesters vooruit te brengen.

« Zijt gij klaar, mijne heeren ? » vroeg de Valois, « nu dan, spoedig voort, bid ik u ; want anders komen wij de jacht te laat. Gij, vazal, ga ter zijde ; waarschouw ons wanneer wij moeten keeren. Hoeverre zijn wij nog van Wijnendaal ? »

De jongeling nam zijne kap heuschelijk van het hoofd, boog zich voor zijnen redder en antwoordde:

« Nog een korte mijl, mijn heerschap. »

« Bij mijn ziel! » sprak St.-Pol. « Ik geloof dat dit een wolf in een schaapsvel is. »