is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De oude graaf, vol streelende hoop, begaf zich met betrouwen naar het koninklijk paleis.

Hier werd hij in eene groote en prachtige zaal geleid. In de diepte van het vertrek stond de koninklijke troon ; behangsels van lazuur fluweel, met gulden leliën doorwrocht, daalden van dezen aan beide zijden op den grond, en een tapijt met goud- en zilverdraad doorweven, lag vóór de trappen van dien rijken zetel. Philippe le Bel wandelde heen en weer door de zaal met zijnen zoon Louis Hutin 3*. Achter hen volgden vele Fransche heeren, onder welke er één was, die dikwijls in de samenspraak des konings deelde. Deze gunsteling was mijnheer de Nogaret, die den paus Bonifacius op bevel van Philippe dorst vangen en mishandelen ss.

Zoodra Gwijde aangekondigd werd, week de koning tot bij den troon, maar klom er niet op. Zijn zoon Louis bleef aan zijne zijde; de andere heeren schaarden zich in twee rijen langs den wand. Dan naderde de oude graaf van Vlaanderen met langzamen tred en boog zijne eene knie voor den koning.

« Vazal! » sprak deze, « u betaamt die ootmoedige houding na al het verdriet, dat gij ons veroorzaakt hebt. Gij hebt den dood verdiend en zijt veroordeeld; echter belieft het ons in onze koninklijke genade, u te hooren. Sta op en spreek!

De oude graaf richtte zich op en antwoordde :

« Mijnheer en vorst! met vertrouwen in uwe koninklijke rechtvaardigheid heb ik mij tot aan de voeten Uwer Majesteit begeven, opdat zij met mij naar haar welgevallen handele. » ■

« Die onderwerping » hernam de koning, « komt laat. Gij hebt u met Edward van Engeland, mijnen vijand, tegen mij verbonden; gij zijt als een ontrouwe vazal tegen uwen heer opgestaan en hoogmoedig genoeg geweest om hem den oorlog te verklaren. Uw land is om uwe ongehoorzaamheid verbeurd. »

« O vorst, » sprak Gwijde, « laat mij genade voor u vinden. Dat Uwe Majesteit bedenke, wat pijn en wat lijden