is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nieuwe zwarigheid weerhield hen tegen hunnen dank.

Charles de Valois had lang in diep nadenken bij het einde der zaal gestaan. De eerbied en de hef de, die hij zijnen broeder toegewijd had, streden lang in hem tegen de spijt, welke dit verraad hem baarde. Op eens brak zijne woede los; hij werd rood, wit en blauw in zijn aangezicht, en liep nu als razend voor de koningin.

« Mevrouw,* schreewde hij,« gij zult mij niet ongestraft onteeren! Luistert, mijne heeren, ik spreek voor God, ons aller rechter. Gij, Johanna van Navarra, zijt het, die het vaderland uitput door uwe verkwistingen; gij zijt het, die het rijk van mijn edelen broeder te schande maakt; gij zijt de vlek en de hoon van Frankrijk. De onderdanen des konings hebt gij door het vervalschen der munten en door onbillijke afpersingen ongelukkig gemaakt. En zou ik u nog dienen? Neen, gij zijt eenevalsche, eene verraderlijke vrouw I»

Razend trok hij zijnen degen uit de scheede, brak hem op zijne knie aan tweeën en sloeg de stukken met zooveel geweld tegen den grond, dat zij tot op de trappen van den troon terugsprongen.

Johanna was uitzinnig van spijten toorn; hare wezenstrekken hadden niets vrouwelijks meer, zoodanig waren ze tot eene helsche uitdrukking te zamen getrokken : men zou gezegd hebben, dat zij door eene beroerdheid werd geslagen.

« Vangt hem! vangt hem ! » borst zij uit.

De lijfwachten, die nog in de zaal waren, wilden dit gebod volbrengen en reeds was de hopman tot bij mijnheer de Valois genaderd ; maar de koning, die zijnen broeder ten hoogste beminde, kon dit niet dulden.

• Wie mijnheer de Valois aanraakt, zal heden nog sterven 1 » riep hij.

Op die bedreiging bleven de wachten beweegloos staan. De Valois verliet de zaal zonder hinder, niettegenstaande het geroep der woedende koningin.

Zóó eindigde dit onstuimig tooneel. Gwijde werd te Compiègne gevangen gezet; men voerde Robrecht naar