is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gendeel, wij zouden ons moeten verblijden, daar wij nu deel van het groote Frankrijk uitmaken. Wat geeft het eene handeldrijvende natie, onder wie zij zich verrijkt P Het goud van Mahom is zoo kostelijk als het onze. »

De verbittering tegen Brakels was nu ten top gestegen, en zijne rede kreeg geen antwoord. De Coninc zuchtte luid en met pijnlijke aandoening :

« O, schande, een Leliaart, een bastaard heeft in het weverspand gesproken; die vlek is onuitwischbaar ! »

Eene onstuimige beweging liep onder de talrijke wevers, en velen stuurden met angstigen toorn een vlammend oog op meester Brakels.

Eensklaps ging er eene stem onder hen op en de schreeuw: « Hij zij gebannen, de Leliaart! Geene Franschgezinden onder ons! » werd menigmaal herhaald.

De Coninc moest al den invloed, dien hij op zijne makkers had, om hen te stillen, gebruiken; want menigeen toonde zich tot gewelddaden geneigd. Meteen werd er voorgesteld, of men meester Brakels uit het ambacht bannen zou, dan of men hem tot eene boete van veertig ponden was zou verwijzen.

Terwijl de scribent met het opnemen der stemmen bezig was, stond Brakels zonder ontsteltenis voor den deken. Hij betrouwde zich op degenen, die zijne eerste rede hadden goedgekeurd, doch hij bedroog zich grootelijks; want de naam Leliaart, die door allen als eene schandvlek werd beschouwd, had hem geenen enkelen vriend gelaten. Al de stemmen spraken het vonnis : gebannen ! en de uitslag werd met algemeene toejuiching begroet.

Nu ontvlamde de woede van den Leliaart; scheldwoorden en bedreigingen tegen de Coninc vielen onstuimiglijk uit zijnen mond. De deken bleef met de grootste onverschilligheid in zijnen stoel zitten en antwoordde niet op de lasteringen zijns tegenstrevers. Hierop kwamen twee sterke gezellen, als deurwaarders aangesteld, bij den gebannene, en bevalen hem het Pand op staanden voet te verlaten. Hij, met bittere spijt vervuld, gehoorzaamde dit gebod en liep vol wraakzucht naar Johannes van Gistel,