is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den deken bezwoeren het lot niet lang : de Leliaarts vielen met nieuwe kracht tegen zijne voorste benden en dreven ze verward op elkander.

Dit was zoo spoedig voorgevallen, dat er reeds velen gesneuveld waren, eer Jan Breidel, die met zijn ambacht in het diepste der straat stond, het gevecht kon bemerken. Eene beweging, op bevel van de Coninc uitgevoerd, deed de gelederen opengaan, en stelde hem den toestand en het gevaar het wevers voor oogen. Hij brulde eenige onverstaanbare woorden met heesche stem, en, zich tot zijne mannen keerende, riep hij :

« Vooruit! Macecliers, vooruit! »

Als razend vloog hij dwars door de wevers heen en liep met al zijne mannen tegen de ruiters op. De eerste slag zijner bijl ging door de neusplaat en het hoofd van een peerd, en zijn tweede slag velde den ruiter voor zijne voeten; in een oogenblik trapte hij op vier lijken en ging verwoed in den strijd voort, totdat hij zelf eene geringe wonde aan den linkerarm kreeg. Het zien van zijn eigen bloed maakte hem uitzinnig : schuim kwam hem op zijnen mond, en den ridder, die hem gewond had, met eenen vluchtigen blik aanziende, wierp hij zijne bijl weg. Zich dan onder de speer van zijnen vijand bukkende, sprong hij met razende woede tegen het paard op en klampte zich vast aan het lichaam van den Leliaart. Hoe sterk deze ook in den zadel zat, moest hij toch voor het geweld van den dollen Breidel zwichten en viel uit den zadel gerukt, op den grond. Terwijl de deken der beenhouwers bezig was met zijne wraak op hem te verzadigen, waren zijne makkers en de overige ambachtslieden te gelijk op de schaar der Franschgezinden gevallen en hadden er velen onder den voet gehaald. Daar de strijdenden lang op ééne plaats bleven vechten, waren de lijken van menschen en paarden dicht gezaaid en stroomen bloeds verfden dé straat met donkerrood.

Nu kon niets meer het geweld der ambachten tegenstand bieden; want, daar de Leliaarts achteruit geweken waren, hadden hunne vijanden al vechtende zich op de