is toegevoegd aan uw favorieten.

De leeuw van Vlaanderen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergaderingen der wevers voorspelde hij de verlossing des vaderlands en hield alzoo de harten zijner broederen warm en vol edele hoop.

Breidel was niet meer kennelijk: een duister nadenken had zijne jonge wezenstrekken verouderd, en zijne wenkbrauwen waren bijna over zijne wimpers gezakt. Het trotsche hoofd van den dapperen Vlaming hing gebogen, alsof een pijnlijke last het neder hadde gedrukt. De onderwerping en het gezicht der opgeblazene Franschen waren adders, die om zijn hart gekronkeld lagen en het wreedelijk verscheurden. Voor hem was er vreugde noch genoegen meer, en zelden ging hij uit zijne woning; want nu was het verwonnen Brugge hem een kerker, welks lucht hem verstikte. Deze grootmoedige smart verliet hem geen oogenblik, en zijne broeders konden hem door niets troosten of bewegen. In de oogen der Franschen stond voor hem het lasterwoord : Slaaf! als een verwijt te lezen.

Op eenen morgen stond hij zeer vroeg in zijnen winkel, en, de mijmeringen des nachts voortzettende, leunde hij met de linkerhand op een kapblok; zijne twijfelende blikken dwaalde tusschen de stukken vleesch, die aan den wand hingen, hij zag ze niet; want zijne ziel was in andere gedachten verzonken. Nadat hij aldus eenen ruimen tijd beweegloos was gebleven, omvatte zijne rechterhand zonder zijn toedoen eene slachtbijl, die, veel grooter dan de andere zijnde, voor een bijzonder gebruik scheen te dienen. Zoodra het blikkerend staal onder zijn gezicht viel, ging er eene onvatbare grimlach over zijne spijtige wezenstrekken, en hij bleef lang op het moordtuig staren. Eensklaps werd zijn gelaats omber en droef; hij zag als verdwaald den winkel in, en deze klacht rolde langzaam van zijne lippen :

« Het is gedaan, geene hoop op verlossing meer!... Wij moeten het hoofd bukken en weenen over ons onderworpen vaderland. Nu loopen de zegepralende Franschen dagelijks door de stad, iedereen hoonende, iedereen bespottende... en wij, wij Vlamingen, wij moeten het uitstaan,