is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spalkte oogen weer boven;... maar vruchteloos, want telkens weer duwden, in stugge, stille onbarmhartigheid, de lange, stompe stokken, hiindelijk was hij uitgeput en liet los. Het water sloot zijn effen vlakte over hem dicht. Nog even brobbelde iets uit de diepte naar boven en toen was het uit: de gladde spiegelvlakte had haar prooi verslonden. Nog eventjes lagen de wreede Oelegemmers daar te loeren en te wachten; en toen trokken zij sluipend, met hun lange, stompe stokken in het bosch terug...

. Was het werkelijk zoo gebeurd? Strak staarde ik naar het mysterieuse water, door mijn eigen verbeelding als 't ware gehypnotiseerd. Niemand wist het, niemand zou het zeggen; alleen het water wist en zou voor eeuwig zijn geheim bewaren...

Machinaal keek ik op en staarde in t verschiet over de oppervlakte. De bosschen omringden het water als een dichte muur van groen. Nergens scheen iets te bewegen of te leven en men hoorde enkel het droomerig gezang van de karekiet, die in het lisch verscholen zat. Maar eensklaps schrok ik zenuwachtig op. Ginds... aan den overkant van 't water — den kant van Oelegem, — stonden twee mannen! Of was het een hersenschim; een zinsbegoocheling? Waren het soms twee boomstammen, twee grijze beukentronken, die van verre op menschen leken?... Ik staarde, roerloos, met strak-vorschende oogen. En eensklaps zag ik ze beiden langzaam langs den waterrand bewegen; en meteen herkende ik ze alle twee zonder eraan te kunnen twijfelen: de « burgemeester » en de baas uit de Speurgaal!

Blijkbaar waren ze na mijn vertrek door de bosschen naar het meer geslopen, willende weten of ik naar het graf zou gaan kijken, ronder twijfel stonden ze mij daar reeds een heele poos te beloeren, om te weten wat ik er kwam uitvoeren, 't Werd even kil in mij en ik nam mijn fiets op, die ik in het mos had neergelegd. Zoo kalm en natuurlijk mogelijk ging ik er langzaam mee weg door de bosschen. Om den hoek van een dicht heesterwoud hield ik stil en legde mij plat te gronde neer. Ik keek, met mijn hoofd in het gras. Ik zag ze, aan het uiteinde der laan die ik gevolgd had, over het zwarte kruis aan den rand en verder over de breedte van het water heen, weer roerloos, als twee grijze palen, bij den boschkant staan. Zij bleven daar nog geruimen tijd, in strakke onbeweeglijkheid loeren, tot zij eindelijk, met weerzin als het ware, in de donkere diepte van