is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan allen het wonderlijk verhaal op: hoe de koe daar eensklaps op een avond aan hun deur stond, vele, vele dagen nadat ze weggestolen werd; en hoe ze gewond was, en hoe zij afgemat en afgemagerd was, zoo, dat Dons sommen had moeten besteden om ze eenigszins weer bij te brengen. Hij ging er nog gebukt onder beweerde hij; zij zou dat jaar geen kalf krijgen; zij zouden geen melk hebben; zij waren half geruïneerd!...

De menschen sloegen van verbazing hun handen in elkaar, spraken van tooverij, van duivelsche streeken. Anderen glimlachten geheimzinnig, voelden er iets anders achter, vertrouwden t zaakje zoo maar half. De burgemeester kwam ook zien en hooren, vergezeld van Guust De Waele, die bijna geen oogjes had van 't rimpellachen en van zijn dochter Falderie, aan wie vrouw Dons met schrille stem heel 't wonderlijk geval nog eens uiteendeed. Eerst was de burgemeester vrij stug en liet duidelijk genoeg verstaan dat zijn gift van vijftig franken wel zeer overbodig was geweest. Maar voor het bedroefde gezicht en de rampspoedige verhalen van Dons en zijn vrouw en ook wel door de tegenwoordigheid van Falderie kreeg de emotie hem weer te pakken en hij drong niet aan. De heele geschiedenis was en bleef verward en troebel en werd al gauw spreekwoordelijk in t dorp; en nu nog wanneer daar een of andere ingewikkelde en duistere zaak voorkomt, klinkt het meer dan eens, met een ondeugend lachje en een oolijk geknipoog:

— 'n Beetje geduld; 't zal misschien nog wel terecht komen... gelijk de koe van Dons!