is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Remi, bibberend van koude, gaf slechts een holklinkend, onduidelijk antwoord. .Zij waren op de dorpsplaats gekomen. De boerenschaar had zich in tweeën verdeeld; een viertal sloegen links in; de anderen volgden de groote dorpsstraat rechts. Vóór de kerk, aan de splitsing der twee straten, hield Remi insgelijks stil. Hij moest links inkeeren om naar Meerhem te gaan, terwijl meneer Ongena de andere straat hoefde te nemen.

Met zijn holle stem, even het hoofd omkeerend naar een tiental nieuwsgierigen die hem en den secretaris gevolgd hadden, nam hij afscheid van zijn meester. Meneer Ongena gaf hem zijn groet terug, dacht inwendig dat de jongeling er bijzonder slecht uitzag, zei haastig: « Zoo dus, Remi, tot morgen », en liep met korte, vlugge stapjes heen, meer en meer ontsteld door de toenemende opschudding in t dorp, zich met een kloppend hart afvragend waarom de bende, die een oogenblik opzij gebleven was, terwijl hij afscheid nam van zijn bediende, hem nu weer gekscheerend achtervolgde. Zijn handen beefden, een zonderlinge flauwte deed zijn schrale beentjes onder zijn dik lichaam waggelen. Hij had wel kunnen schreien van onverklaarbaar verdriet; hij besefte steeds minder wat er toch omging, waarom de inwoners sinds eenigen tijd toch zulk een hardnekkigen hekel aan hem hadden.

Eensklaps, toen hij dichtbij het Gouden Zulleke was, klonk achter hem een schelle kreet, die door de gansche straat weergalmde:

« Uithongeroare!»

Hij keerde zich om met een snelheid die men van hem niet verwacht zoude hebben, ontwaarde niemand achter zich, dacht even, in de verbijstering zijner schaamte en smart, dat men «uitgehongerde» geroepen had, dat men hem verweet niet genoeg meer te eten te hebben.

Een gloed kleurde zijn wangen, hij zette zijn weg voort, de beenen waggelend, den blik ten gronde. Nauwelijks was hij drie passen ver, toen de kreet opnieuw weergalmde, luider, woester, boosaardiger:

« Uithongeroare! Uithongeroare!»

Een schok hield hem even stil, een tweede schok stuwde hem weer vooruit. Ditmaal had hij begrepen. Een floers kwam vóór zijn oogen, een ruisching gonsde in zijn hoofd, hij meende nog eens denzelfden woesten kreet te hooren en iets als een juichend handgeklap van goedkeuring langs de huizen;... en toen,... toen besefte hij niet juist meer