is toegevoegd aan uw favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is eigenaardig, maar de herinnering aan die reeds oude geschiedens van Bobsico met zijn vischjes, komt telkens weer, als een obsessie, in mij op.

Ze nu maar eens vertellen, om ervan verlost te zijn.

Bobsico was een aardig, aardig kereltje. Ik herinner mij, dat hij r^L i )vas. t°en vier jaar oud,) tegen schemeravond zoek was. De heele familie liep in rep en roer, men zocht vergeefs het buiten ar, langs alle kanten, toen men hem eindelijk heel kalm bij de rivier vond staan, alsof hij daar iets zeer gewichtigs te volbrengen had.

„ c'oe Je toch zoo laat alleen aan 't water, Bobsico? vroeg hem zijn moeder op verbolgen toon.

En Bobsico, die in dien tijd een Zwitsersche gouvernante had en daardoor makkelijker Fransch dan Nederlandsch sprak, antwoordde, in de eerste taal:

— Je regardais 1 eau et j écoutais les cloches.

Het water trok hem aan. Het water, en alles wat in en op het water gebeurt. Hij roeide gaarne mee in het bootje, hij zag gaarne visschen; hij zag vooral gaarne de vischjes, wanneer zij levendspartelend, als glinsterende zilverdingetjes, met het druipend net werden opgehaald. Hij mocht ze dan eens even in zijn handjes nemen, ze aaien... en ze dan weer in het water laten wegzwemmen.

an al zijn speelgoed waren zijn blikken vischjes hem het liefst en uren lang kon hij er in een kommetje naar zitten hengelen, tot zijn oogjes van de ingespannen aandacht dichtvielen en zijn hoofdie er m slaap van knikte.

Toen hij zijn zevenden jaardag vierde, bereidden zijn ouders hem een groote verrassing. Zij zouden hem eens echte vischjes ten geschenke geven, drie mooie, roode goudvischjes in een bokaal.

De vreugd van Bobsico was onbeschrijfelijk. Hij klapte in zijn handjes en kraaide het letterlijk uit van opwinding en plezier. Hij