is toegevoegd aan je favorieten.

Uit de bron

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij gingen, sprakeloos. Wij kwamen buiten in den donker-killen nacht, die flonkerde van sterren. Wij voelden ons zwak, en triestig, onbeschrijfelijk. Als schimmen slopen wij in de verwoeste schuilplaats, waar onze vier makkers gesneuveld waren.

Daar bleven wij zitten, lange, eindelooze uren... Wij luisterden in spanning naar de mysterieuze geluiden van den nacht. Voortdurend meenden wij sluipende vijanden te hooren. De dood, die daar zoo onbarmhartig en zoo kort geleden haar vernielingswerk verricht had, waarde nog om ons heen. Wij voelden diepen angst en zware droefheid.

Soms waagde een van ons zich even buiten. Die zag dan 't rosse flitsen rechts en links van de verre, dreunende kanonnen en de zwarte stilte van den nacht vlak vóór ons uit. Die stilte werkte raadselachtig en beklemmend. Was het rust of was het dreiging? Wij wisten het niet. Onze oogen peilden den donkeren nacht en zagen niets. Toen keken wij hoog in de lucht, waar miljoenen sterren flonkerden en bloeiden en dat bracht eenigen troost. Het was of men de sterren zag en hoorde leven. .Zij twinkelden en trilden boven het wijd uitgestrekte slagveld en wij dachten aan tallooze brandende lichtjes rondom een immensen lijkstapel van duizenden en duizenden gesneuvelden. Soms meenden wij lichtende kruisen te zien, die steeds hooger ten hemel stegen en verdwenen. Het was de Kerstnacht... de droeve, wreede Kerstnacht van het derde oorlogsjaar...

Tegen het krieken van den dag werden wij op onze beurt weer afgelost. Loom en huiverig trokken wij naar ons cantonnement terug. Vóór den ingang van den versterkten kelder waar wij den vorigen avond aangekomen waren, stond een Fransche schildwacht als een •donkere schim in grijze schemering.

Wij vroegen hem of onze makkers waren weggehaald en begraven.

Hij knikte van ja.

Wij zeiden niets en gingen verder...