is toegevoegd aan uw favorieten.

Nelly Degenstein

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren ze naast de Vosjacht. „Nou, mijnheer! wat zegt u daarvan ?" Mijnheer keek met eenige verbazing uit.

,,'t Is hier niets dan water, dunkt me. Hoe heet deze plas?"

Plas! De Vosjacht een plas! Bijna minachtend keek de koetsier om.

„Deze „plas' heet de Beulaker, en die „plas" daar rechts is het Zuiderwijde,-' zei hij stijf. Toen draaide hij zich om en keek zóó strak naar zijn paarden, alsof hij van plan was, zijn geheele leven niet meer op te zien. Toen ze evenwel de Beulaker, alias „de Vosjacht'' gepasseerd waren, voelde hij zich toch verplicht stil te houden. Hij opende het portier. „We zijn in Giethoorn," zei hij droogjes. De burgemeester stapte uit en keek verbaasd rond. In Giethoorn? hier in Giethoorn? Hij stond op een kalen dijk, waar geen huis te zien was; rechts in de weilanden graasden vreedzaam eenige koeien, links zag hij uitgestrekte rietvelden. „Is hier Giethoorn ?" vroeg hij op eenigszins wantrouwenden toon aan den koetsier en nogmaals keek hij den man doordringend aan. „Ja, mijnheer! daar ginder ligt het,' zei de koetsier en hij wees over de weilanden naar een boschrijke streek, die evenwijdig aan den dijk liep en daarvan gescheiden was door de bewuste landen. „O, moet ik dan door die weiden ?" vroeg de burgemeester. „Ja, mijnheer, maar sommige van die weiden zijn de zoogenaamde „steegen" en als u door zóó'n land gaat, dan komt u in t dorp. Maar daar zijn ook heel veel landen, als u die