is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te wekken zich onder de hooge inschrijvers te scharen. Deze premie bestond uit het voorrecht om een huisgezin te kunnen voorstellen, dat, zoo de finantiën zulks toelieten, de voorkeur zou genieten om onder de ondersteunden te worden opgenomen. Verder was 't hun blijkens het jaarverslag 1818/19 vergund om van de door de Maatschappij verstrekte aardappelen, hemden en kousen „tegen betaling ter private uitdeeling te ontvangen." »

Het bestuur zou bestaan uit een hoofd-directie en medewerkers. De hoofd-directie zou acht leden tellen. Aan dit college werden de algemeene belangen toevertrouwd, en waar 't een zoo grooten invloed kreeg, lag 't in de reden, dat de functies van voorzitter, secretaris en penningmeester — jarenlang werd deze als thesaurier betiteld — onderling werden verdeeld.

Verder zouden er vijftig medewerkers zijn, die in voortdurend contact met de gesteunde gezinnen bleven. Een boekhouder zou zorg dragen voor het bijhouden van de verschillende registers, enz.

Hiervóór is gezegd, dat de hooge inschrijvers een voorrecht hadden op hen, die voor minder dan vijftig gulden inschreven. Maaier was nog iets, dat de eersten gemakkelijker konden bereiken dan de laatsten. Men zou haast denken, dat de stichters een beetje speculeerden op de menschelijke ijdelheid, want het bestuur vulde in geval van een vacature zichzelf aan, en artikel 5 der Algemeene Bepalingen stelde vast, dat daarbij voornamelijk moest worden gelet op die leden der Maatschappij, die als hooge inschrijvers bekend stonden. Gelukkig voor de bestuurderen uit die dagen, die een nieuw lid der hoofddirectie moesten kiezen, dat er steeds een flink aantal van deze bevoorrechten moet zijn geweest, zooals men uit het aanzienlijke bedrag der jaarlijksche inschrijvingen en de weinige contribuanten mag opmaken.

De hoofd-directie moest er ook voor zorgen, dat er een voldoend aantal medewerkers bleef en behalve de zorg voor de gewone administratieve bezigheden van elk bestuur had zij nog de beslissing over de aanvragen om steun. Aanvankelijk werd dit aan een subcommissie toevertrouwd, maar na 1838 nam de geheele hoofd-directie de beoordeeling op zich.