is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1861. De Leidsche Maatschappij van Weldadigheid is den middenstanders ten dezen opzichte dus vele jaren vóór geweest.

In dezelfde lijn, nl. steunen, zoo spoedig er achteruitgang was waar te nemen, die ernstige gevolgen dreigde te hebben, bewoog zich een kwestie, die vele jaren later aan de orde kwam. Moet, zoo werd in 1887 gevraagd, de Maatschappij hen steunen, die volgens het kohier van den hoofdelijken omslag een inkomen hebben van meer dan ƒ400. Een deel der hoofd-directie oordeelde, dat zóó ver het doel zich niet kon uitstrekken, een ander deel, dat dit wel degelijk op den weg lag der Maatschappij. Juist door dezulken tijdelijk te ondersteunen, kon worden voorkomen, dat ze naderhand dringender beroep op Weldadigheid moesten doen. 't Behoefden niet personen te zijn, die eenmaal onder de armen gerekend werden.

Zoo heeft men 't altijd gevoeld in de Maatschappij en in 1900 nog werd b. v. ter sprake gebracht, om aan de leden bordjes te verstrekken in den geest van „Armenzorg" of „Liefdadigheid naar Vermogen" tot wering van de bedelarij, een voorstel, dat echter geen algemeene instemming genoot, omdat in geen geval bedelaars worden gesteund, al doen dit ook niet de beide hier genoemde vereenigingen.

Armen werden wel in de eerste jaren geholpen, zooals op voorgaande bladzijden is meegedeeld, maar door Weldadigheid verbeterden de levensomstandigheden voor een groote categorie van personen en mede door het werken der Maatschappij mocht in het jaarverslag over 1873 74 worden verzekerd, dat het pauperisme in Leiden afnam. Toen dan ook in October 1894 commissarissen van de Bank van Leening aan de hoofd-directie verzochten hun te willen meedeelen, of bij de Maatschappij van Weldadigheid in de laatste jaren —vóór 1894 namelijk ook feiten ter kennis waren gekomen, op grond waarvan opheffing of instandhouding van de Bank van Leening raadzaam werd geoordeeld, kon worden geantwoord, dat men tot zijn spijt op deze vraag geen antwoord kon geven, wijl de Maatschappij niet in aanraking kwam met personen, die steun moeten zoeken bij deze bank. En dat waar Weldadigheid eenige tientallen jaren terug nog honderden guldens