is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toch willen we er nog iets van meedeelen. In de jaren na 1846 tot 1855 vinden we telkens een bedrag vermeld varieerend van ƒ14.000 tot ƒ18.800 en in dat tijdsverloop was 't totale bedrag ƒ 156.324,191 In 16 jaar tijd een loon van een kwart millioen gulden.

Een instelling, die een zoo groot kapitaal aan loon uitkeert, kan moeilijk meer worden aangemerkt als instelling voor werkverschaffing. In die jaren was dan ook een vrij aanzienlijke winst gemaakt. Men had een batig saldo van ƒ19.710,80. Nu moest worden beslist, wat daarmee te doen. Een andere; vraag was, hoe is dat groote saldo ontstaan? In de hoofdbestuursvergadering van 9 November 1857 kwam deze zaak het eerst ter sprake. Het ontstaan was te danken aan het feit, dat opdrachten waren gekomen voor de vervaardiging van kledingstukken, die hier vroeger niet werden gemaakt en waarvoor een hooger bedrag als maakloon was vastgesteld. Van de winst zou ƒ6000 aan de Maatschappij worden gerestitueerd en over de overblijvende ƒ 13.000 zou later worden gesproken.

En er is gesproken over deze winst, waarbij persoonlijke onaangenaamheden niet achterwege bleven. Overlegging van boeken en inzage van bescheiden van de commissie werden door de leden van de hoofddirectie geëischt. Zelfs werd de burgemeester verzocht den minister van koloniën schriftelijk op de hoogte te stellen van den stand van zaken, opdat deze geen verkeerde gevolgtrekkingen kon maken uit het feit, dat er een vrij aanzienlijke winst was behaald, aan welk verzoek deze voldeed.

Men was geheel in de war geraakt door dit onverwachte voordeel. De hartstochten laaiden hoog op en een vergadering met de medewerkers en contribuanten werd belegd om uit de impasse te geraken. Een weg hiertoe werd gevonden en met voldoening kon het jaarverslag over 1857/58 getuigen onder de mededeelingen voor de afdeeling Arbeid, „dat de Maatschappij in het bezit geraakte van een kapitaal, dat tot de bevordering van een geregelden gang van zaken, het doen van onvermijdelijke uitgaven, als anderszins van onmisbaar nut is".

Bij besluit van een in December 1858 — de datum wordt niet