is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Rijk, wanneer de aanmaak van kleeding dan maar te Leiden bleef. Bovendien zou worden gepoogd meer werk te krijgen. Ook nu bleef succes niet uit.

Lang duurde het niet, want in Augustus 1901 vernam de hoofddirectie van de commissie voor Arbeid dat weer het plan bestond om de vervaardiging van kleeding naar Indië over te brengen wegens de goedkoopere werkkrachten.

Bij een bezoek aan meergenoemden referendaris bleek, dat hij een besliste tegenstander was van den aanmaak in Indië, maar dat de voorraden kleedingstukken daar op dat oogenblik groot waren. Het eerste deel dezer verklaring klonk geruststellend, maar 't baatte niet veel, want vanaf dat tijdstip werden steeds meer kleedingstukken aan den aanmaak te Leiden onttrokken. Voor wollen goederen werden de confectieprijzen nog wat verlaagd, maar 't gaf niets. Allengs waren de winsten geringer, en soms werd wel met verlies gewerkt. In Mei 1905 viel de slag. Beslist was dat de fabricage naar Indië ging. De opvattingen van den referendaris hadden het afgelegd tegen die van het Indische legerbestuur. Daarna richtten bezoeken en adressen, waarbij o.m. nog getracht werd een overgangstijdperk van drie jaar te verkrijgen om groote werkloosheid onder de kleermakers tegen te gaan, niets meer uit. Al 't mogelijke werd gedaan, maar zonder resultaat. Zelfs ging men zich tevreden stellen met de verwerking van het hier aanwezige laken. De vertoogen over de ellende, die de opheffing van de afdeeling Arbeid zou hebben voor de Leidsche arbeiders waren tevergeefs en in de bestuursvergadering van 3 September 1905 werd besloten met ingang van 1 Januari 1906 de afdeeling Arbeid op te heffen. Nog waagde een der bestuursleden een poging, maar 't antwoord luidde dat de opheffing niet zou zijn geschied, wanneer de Maatschappij indertijd de prijzen belangrijk had verlaagd en geen winsten had gemaakt. Een onverdiend verwijt, waar juist die laatste jaren finantieel weinig voordeel hadden opgeleverd en de winst alleen voor weldadige doeleinden werd besteed. Een douceurtje aan 't Rijk kon de Maatschappij moeilijk geven en het doodvonnis was dus geteekend. Den voornaamsten afnemer verloor men en de Maatschappij durfde verdere risico niet aan, waarom