is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het groote, alles leidende beginsel der Maatschappij was en is: preventief optreden. Dat heeft ook voorgezeten bij de stichting van de Hulpbank. De eerste maal, dat hierover werd gesproken, was in een conferentie van de hoofd-directie met afgevaardigden van de diaconie der Ned. Herv. gemeente in 1853, over welke bijeenkomst meer uitvoerige mededeelingen zullen volgen.

Het initiatief voor de stichting was genomen door den heer J. van Heukelom, die in September 1861 voorstelde aan de algemeene vergadering het plan voor te leggen uit haar midden een commissie te benoemen, die met een commissie uit de hoofd-directie de wenschelijkheid zou onderzoeken van de oprichting van een hulpbank, zooals er na 1849 eenige in ons land waren opgericht. In die algemeene vergadering werd door velen sympathie met het voorstel betuigd en met algemeene stemmen werd het aangenomen. Uit de leden werden in de commissie van onderzoek benoemd de heeren M. H. Esser en mr. S. Ie Poole en door de hoofd-directie werden uit haar midden daaraan toegevoegd de heeren J. van Heukelom, mr. J. Th. Buys en P. I. de Fremery.

Reeds den 18den December was deze commissie met haar arbeid gereed en kwam ze met een reglement voor de nieuwe stichting in een algemeene vergadering. Met eenige wijzigingen werd dit goedgekeurd en tevens bepaald, dat voorloopig een crediet van ƒ5000 beschikbaar zou worden gesteld voor de Hulpbank.

Het aangeboden reglement was vergezeld van een rapport,