is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of twee borgen gevraagd. Daarna moesten er steeds twee borgen zijn. Het motief voor deze wijziging was tweeërlei; in de eerste plaats was één borg dikwijls niet voldoende; bovendien kon dit bij sterfgeval of verlaten van de gemeente moeilijkheden geven en in de tweede plaats werd 't soms niet aangenaam voor een borg geoordeeld, wanneer commissarissen een tweeden eischten.

Voorschotten boven ƒ 200 konden ook worden verstrekt, maar dan alleen met toestemming van 2/3 van de leden van het bankbestuur. Hiermee ging veel tijd verloren en daarom wenschten commissarissen, dat zulks zou kunnen plaats hebben, wanneer 3/i van de heeren, die zitting hadden, zich er voor verklaarden. Deze mogelijkheid om een hoogere leening dan ƒ200 te sluiten is in het reglement van 1897 niet meer opgenomen.

Behalve een paar weinig belangrijke wijzigingen is in 1886 een mildere regeling tot stand gekomen ten opzichte van hen, die nalatig waren gebleven. Het toenmalige artikel 12 bevatte o.a. de volgende alinea: „Die door verzuim van aflossing aanleiding geeft, dat de geheele schuld moet worden opgevorderd, of die viermaal nalatig is gebleven in de betaling der verschuldigde termijnen, zal nooit weder een voorschot kunnen genieten". Daarvoor in de plaats kwam de regeling, die tot op den huidigen dag geldende is.

In 1867 was ook reeds het reglement gewijzigd. Van dat jaar dagteekent de bepaling, dat niemand tegelijk leener en borg mag zijn. Tevens is toen de regeling getroffen voor het verleenen van voorschotten boven ƒ200, dezelfde die in 1886 werd te niet gedaan op grond van praktische bezwaren. Uit de gevoerde correspondentie blijkt, dat commissarissen van de bank voor deze grootere leeningen drie of meer borgen konden eischen.

Na 1862 kwam de Maatschappij herhaaldelijk voor aanvragen van de zijde van het bankbestuur te staan om over te gaan tot uitbreiding van het bedrijfskapitaal. Deze voorstellen werden steeds ingewilligd. De bank nam naar hieruit bleek een groote vlucht en vijf jaar na de oprichting was dit kapitaal van ƒ5000 in het eerste jaar, dat toen nog niet voor de helft benoodigd was, gebracht op ƒ25.000.