is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aard in 1832. Vanaf de oprichting tot dit jaar meldden notulen noch jaarverslagen iets van ziekten, die in meerdere mate Weldadigheid bezig hielden. Misschien zijn ze er wel geweest en geschiedde de vermelding alleen, omdat een zoo aanzienlijke gift in de kas was gevloeid. Doch later is meermalen melding gemaakt van ziekten, strenge koude, rampen, industrieele slapte, enz.

Weinige jaren na deze cholera braken nog moeilijker tijden aan. De fabrieken leden sterk onder den slechten toestand, die de geheele nijverheid hier te lande drukte. Er was weinig werk voor de vele duizenden arbeiders, waarover bij de afdeeling Arbeid voldoende gesproken is. En bij ai die ellende kwam nog een buitengewone koude Februari-maand in 1838. Maar ook toen werd de Maatschappij weer in staat gesteld hare ondersteunden te hulp te komen, want een som geld werd geschonken om voor ieder gezin turfloodjes uit te reiken.

De oeconomische toestand bleef jarenlang gedrukt, waaraan menig jaarverslag in weinig woorden uiting geeft. Het verslag over 1843/44 spreekt van duistere vooruitzichten door verarming van den nijveren burger en werkman; het jaarlijksch overzicht over 1844 45 zegt dat wanneer er ooit een tijd is geweest, die een instelling als de Leidsche Maatschappij van Weldadigheid gewenscht maakte, 't wel de jaren waren, die men toen doorleefde en het volgende, dat over 1845/46, meldt dat door den druk der tijden de huur van de woningen aan de Looierstraat slecht werd betaald. Ook die beide jaren kwelden naast bestaansonzekerheid en armoede strenge winters de arbeidersbevolking. De algemeene malaise deed zich in Leiden terdege gevoelen.

Onder nog moeilijker omstandigheden moest de volgende jaren worden gewerkt. De inkomsten daalden, waarschijnlijk ook doordat het voor velen minder gemakkelijk was groote bedragen aan de Maatschappij te geven door verlies op effecten of door achteruitgang van handel en nijverheid, en de eischen werden grooter. Onder zulke omstandigheden kwam in het begin van 1849 wederom de cholera. Het jaarverslag van 1848/49 meldde dat de „vreeselijke ziekte" — de verslagen noemen zelden den naam eener ziekte —■ weer rondwaarde. De druk der