is toegevoegd aan uw favorieten.

Het honderdjarig bestaan van de Leidsche maatschappij van weldadigheid, ter voorkoming van verval tot armoede

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In vele opzichten heeft de Maatschappij steeds mogen ondervinden, hoe haar arbeid werd gewaardeerd. De belangstelling uitte zich niet alleen in finantieelen steun, ook aan persoonlijke medewerking heeft 't nooit ontbroken. Deze twee factoren hebben gezamenlijk de Maatschappij gemaakt tot een instelling, waarvan reeds in de eerste jaren een goede roep uitging.

Het aantal contribuanten, dat aanvankelijk gering was, onderging dikwijls een groote stijging en in de jaren onmiddellijk aan den oorlog voorafgaand, bedroeg dit meer dan 600. Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat er in dit opzicht nooit reden tot klagen was. O zeker, 't is een paar maal noodig geweest in meerdere mate dan gewoonlijk de Leidsche burgerij op te wekken tot bijstand. Maar zou een grootere bekendheid van de werking van Weldadigheid niet een groeienden steun tengevolge hebben? Reden tot ontevredenheid is er echter allerminst, wanneer men let op het groot aantal lief- en weldadigheidsinstellingen, dat thans in Leiden is gevestigd.

Dat ook buiten deze stad waardeering voor de Maatschappij bestond, is bewezen door de finantieele medewerking van daar ondervonden. Van de zijde van ons Vorstenhuis is dikwijls warme belangstelling getoond. In 1854 55 was onder de contribuanten ingeschreven de Prins van Oranje, wiens naam ook de twee volgende dienstjaren op deze lijst voorkwam. Toen later Prins Alexander voor