is toegevoegd aan uw favorieten.

De rechtsverhoudingen in de Vereenigde Doopsgezinde Gemeente te Haarlem

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke geschiedenis Resolutieboek 7 c fo. 10—14 een belangwekkende proeve geeft met betrekking tot het Zuiderhofje (v. g. 1. ook Van Gelder). Een bevestigend antwoord op de gestelde vragen schijnt evenwel op grond alleen van de Acte reeds alleszins redelijk. Van beteekenis is daarbij (en dit geldt a fortiori van het straks te noemen fonds tot den predikdienst), dat de positie der genoemde stichtingen werd beschreven en het doel ervan werd bepaald in een stuk, tot welks samenstelling de bestuurscolleges dier instellingen wel hadden meegewerkt, maar hetwelk ten slotte toch op last of onder goedkeuring der gemeente door de kerkeraden werd aangenomen en onderteekend (waarbij de leden der bestuurscolleges ook als zoodanig hun naam zetten, aldus de wetmatigheid der handeling erkennende!).

Wat nu het fonds tot den predikdienst betreft — aanstonds valt op dat elke aanduiding dat het een onafhankelijke stichting zou wezen ontbreekt: geen woord over „de Erkende en onherroepelijke Eygendom der Capitalen en Fondsen" waarvan onder het hoofd Weeshuis sprake is, niets wat lijkt op de uitdrukking „afzonderlijke gestigten" uit het artikel over de hofjes. Bedoelt de uitdrukking in den aanhef van de Acte „Kassen en Stigtingen in elke gemeenten" een nevensstelling met deze strekking dat in de Acte de begrippen „Kas" en „Stichting" elkaar uitsluiten? Van de hofjes wordt gezegd dat zij zijn „afzonderlijke gestigten van den Kerkeraad onafhankelijk", van het fonds tot den predikdienst dat (niet: het fonds, maar) het collegie van Directeuren over dit Fonds (niet: onafhankelijk, maar) „afgescheiden van den Kerkeraad" zal bestaan. Afgescheiden beteekent iets anders dan onafhankelijk, en dat de verwisseling dezer beide woorden aan soort lapsus calami moet worden toegeschreven maakt een verdere vergelijking niet aannemelijk. Aangaande het weeshuis staat er: „De schikking dier vereeniging" [der beide weeshuizen], „het getal van Regenten en Regentessen, „het volgend bestuur en inrigting blijve geheel en ten vollen aan „Regenten, die ook zelve de vervulling der plaatsen onder hun „openvallenden beschikken". Met betrekking tot de hofjes: „[zij] „blijven van den Kerkeraad onafhankelijk onder Bestuur van „elks Regenten en Regentessen in den tijd, die weder in den „haaren onbelemmerd de verkiezing van Mede Regenten en Regentessen hebben". Maar de directeuren over het fonds tot den predikdienst ontvangen verschillende voorschriften: de wijze