is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chooi afleidde. Uit den infinitief ontwikkelen zich aantoonende en gebiedende wijs. De imperatief openbaarde zich bij Keesje het eerst. „Doet oop, doet ope! kommandeerde hij. En bij het spelen met 'n touwtje tot moeder: „Pak fasj, ou fasj F' 'n Tijdje later reserveerde hij de infinitieven tot uiting van z'n verlangens en wenschen, terwijl hij de persoonsvormen gebruikte om te vertellen van oogenblikkelijk waargenomen handelingen. Oppape wil zeggen: Wil moeder dat eens voor me oprapen? Maan kijke = ik wou graag naar de maan gaan kijken. Maar Kees vaat beteekent: ik val, en meisje cheit — het meisje schreit. In deze persoonsvormen liggen, precies als bij de vroeger besproken infinitieven, moeder slaan en moeder schrijven, aktief en passief nog ongedifferentieerd opgesloten. Dit blijkt o. a. uit deze twee zinnetjes van Keesje: „Gaat e oef', d. i. daar gaat m'n muts, en „siet e more", wat zeggen wil: ik zie de molen. More is even goed subjekt (en niet voorwerp) als oet in vgaat e 'oet": de molen was het eerst in Keesjes gedachte en daarmee werd het later optredende „zien" gekombineerd.

Wat in de twee laatst geciteerde zinnetjes opvalt, is de woordschikking: het subjekt staat hier immers niet voorop. Over de woordorde in het algemeen mogen hier enkele opmerkingen volgen, óók in verband met wat nog komen moet.

Romulus condidit Romam. Bij dit Latijnsche zinnetje, dat Wundt aanhaalt als voorbeeld van vrije woordschikking, zijn alle mogelijke d. i. zes permutaties toelaatbaar, 'n Haast even groote vrijheid nu veroorlooft zich de kleuter in z'n eerste taaipogingen, met name in z'n tweede en derde levensjaar. Niet echter bij allen toont zich deze willekeur even sterk: sommige kinderen maken zich reeds vroeg de konventioneele woordorde eigen, zij namelijk, bij wie de faktor der navolging sterker werkt dan de spontaneïteit. Bovendien mogen vele afwijkingen volstrekt geen fouten tegen de konstruktie genoemd worden, al hebben ze den schijn daarvan. Wat niet wegneemt, dat in sommige gevallen geen grond of regel te vinden is. Stumpf schrijft van z'n jongetje: „Felix toont zich, wat de woordschikking betreft, uiterst zorgeloos. Het schijnt hem genoeg, als de woorden