is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZEVENDE HOOFDSTUK. HET KINDERLIJKE DENKEN.

De Fransche filosoof Condillac heeft, om duidelijk te maken hoe de mensch tot kennis komt, de volgende vergelijking opgezet: Men stelle zich 'n beeld voor, dat achtereenvolgens met de verschillende zintuigen begiftigd wordt, waardoor dan respektievelijk tast-, gezichts-, en gehoorprikkels de overeenkomstige gewaarwordingen te voorschijn roepen. — Door louter passief opnemen van buiten en de verbinding der verschillende elementen, die aldus worden opgenomen, zou het heele geestelijk leven in dat beeld ontstaan.

Deze vergelijking is valsch, zooals de gansche empiristische opvatting valsch is: we zagen vroeger reeds, dat bij het verwerven van kennis of vaardigheden steeds twee faktoren meewerken, een van buiten en een van binnen, welk laatste door Condillac wordt genegeerd.

Toch gelijkt het jonge kind inderdaad eenigszins op het beschreven beeld. Bij z'n geboorte is het voor de hem omringende prikkels zoo goed als ontoegankelijk. De eerste weken en maanden ontwikkelt zich de sensibiliteit van alle zinsorganen in zeer snel tempo en bereidt daardoor den weg tot steeds nauwkeuriger waarnemingen. Het netvlies wordt gevoelig voor helderheidsverschillen, kleurtonaliteiten, omtrekken; het oor voor tonen, hoogteverschillen, geruischen; de tong voor allerlei smaakprikkels; de huid voor tast en druk, warmte, koude, enz.

Nu meene men echter niet, dat, zoodra de zintuigen gaan funktioneeren, enkel afzonderlijke gewaarwordingen ontstaan, die vervolgens zouden worden geassociëerd. Chronologisch zijn de associaties primair, de afzonderlijke gewaarwordingen sekundair; deze moeten een voor een worden geïsoleerd uit gene. „Zooals wij, wanneer we met „gesloten oogen" droomend op 'n sofa liggen", aldus Stern, „van het licht dat door onze oogleden dringt, van het verwijderde straatrumoer, van den druk onzer kleeren, van de temperatuur der kamer, niets afzonderlijk waarnemen, maar alles ineensmelt tot één gewaarwordingstoestand, zoo — alleen nog veel vager en donkerder — moeten wij ons de sensibiliteit van het heel