is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fats voor vast; zoo ook wordt wesp in somige dialekten steeds vervormd tot iveps.

Na de „daling" aan 't eind komt de „stijging" voorop: 't vroegere toel word nu wat het wezen moet: stoel. Behalve st kan ook aan 't begin voorkomen: sp, sn, sm, sl en sch. Dat st het eerst verschijnt is geen wonder: beide zijn tandmedeklinkers; voor sp moeten echter ook de lippen meewerken, sn en sm kunnen niet buiten huig en neus, sl in al lastig genoeg om de l alleen, en met sch heeft de dreumes zooveel tobbens, omdat hij hier twee glijders te vormen heeft op twee heel verschillende plaatsen, terwijl nog bovendien de tweede sterker moet klinken dan de eerste. Bekend is, dat veel volwassen Nederlanders niet zeggen schreeuwen met 3 medeklinkers, maar sreeuwen met gutturale r. Op 2'/2-jarigen leeftijd slaagde Keesje er in de ts aan het eind om te zetten in st: vats werd nu vast en kost, kast, post enz. werden korrekt geartikuleerd. Ts aan het begin komt in het Nederlandsch niet voor.

Ondertusschen zijn ook reeds woorden geleerd als: vink, cent, hemd, d.i. met nasaal + ploffer als uitgang, en 'n tijd later met de zelfde verbindingen aan het begin, waardoor b.v. het vroeger foutieve koop verandert in het richtige knoop. Woorden als balk, hart, tram, bloem kunnen natuurlijk niet gevormd worden, vóór de / en de r behoorlijk zijn ingestudeerd. Wel beginnen spoedig nu ook voor te komen kombinaties van glijders en ploffers als in dicht, ooft; twee glijders naast elkaar zijn in Hollandsche woorden zeldzaam, 't Spreekt van zelf, dat de kleuter z'n oefeningen niet slechts houdt met één-lettergrepige woorden, maar al dadelijk het geleerde ook toepast in twee- en meer-lettergrepige.

Dat de l en r zoo laat geleerd worden, is 'n leelijk ongerief: 'n massa woorden worden daardoor misvormd, „want verreweg de meeste, ja meer dan driekwart der dubbele medeklinkers in onze taal beginnen of eindigen met s, r of /."

'n Andere bron van veel fouten is de moeilijkheid der zachte glijders. De /, s en ch blijven tot in het derde jaar heel sterk den baas spelen over v, z en g. Vies = fies; vlieg = fieg;