is toegevoegd aan uw favorieten.

De psychologie der kleutertaal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

reproduktie; verklaring 30 en 31. — Voorsprong van klanknabootsende woorden 31. — Beteekenis van dressuur of africhting als voorbereiding voor het verstaan 31 en 32. — Eerder wordt de toon, de melodie, de modaliteit begrepen dan de woorden zelf 32. — De 11- a 12 maandsche dreumes krijgt 'n vaag vermoeden, dat de klinkende geluiden aanduidende symbolen zijn 32. — De laatste en beslissende stoot tot het verstaan wordt gegeven door het aanduidend gebaar 32 en 33. — Het aanwijzend karakter van het gebaar gaat geleidelijk over op het woord 33. — Ondertusschen heeft de kleuter onderscheid leeren maken tusschen het fantasiebeeld en de werkelijkheid 33. — Eindelijk de gewichtige ontdekking: het eerste begrijpen 33 en 34. — De beteekenis dezer ontdekking: voorbeeld van Helen Keiler 34. — De ontdekking geschiedt woord voor woord 34. — De groote poort geopend! 34.

Derde Hoofdstuk. De eerste kinderwoorden: Blz. 35—56.

Omstreeks de 12e maand valt het eerste verstaan, ook het eigen gebruiken der eerste woorden 35. — Brabbelgeluiden en nagebootste klanken komen voorop; straks worden ook andere woorden met bewuste bedoeling gebruikt 35. — 't Is moeilijk, vast te stellen wat de kleuter met z'n eerste woorden bedoelt 35. — De louter logische verklaringen van oudere kinderpsychologen door jongere afgewezen 35 en 36. — 't Staat vast, dat de woordbeteekenissen op meer elementaire en mechanische wijze tot stand komen 36. — Intellektualistische interpretaties van Romanes, Ament, Preyer 36 en 37. — Verwerping daarvan; er is geen sprake van objekt-aanwijzingen, de kleuterwoorden duiden enkel gevoelens, strevingen aan 37. — Drievoudige taak der taal: uitdrukking — meedeeling — beteekening; deze bij den volwassene één, bij het jonge kind gescheiden 37. — Voorbeelden van het uitsluitend emotioneel of volitioneel karakter der kleuterwoorden 37 en 38, — Overgang van gevoelsaanduiding tot zaakbeteekening, of het Jntellektualiseeren" der taal 38. — Hoe de zaakinhoud van het woord steeds groeit, het heele leven door 38 en 39. — De aanvankelijk louter reflektorische brabbelgeluidjes worden door de „bedoeling" heusche interjekties 39. — Klankverschil tusschen lust- en onlustuitingen 39 en 40. — Overgangsgevoelentjes; voorbeelden hoe ze worden aangeduid 40. — Het volitioneele begint zich sterker te openbaren 40 en 41. — De schijnbare algemeenheid der kleuterwoorden: voorbeelden van E. Schulte, Preyer, Lindner 41 en 42. — De overgang van gevoel tot objektieve zaakaanduiding heeft uit den aard der zaak