is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe wegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwarte kloof leek te vullen, had op de Beursbrug plots het rumoerige menschen-beweeg vóór zich en onwillekeurig ver-veerkrachtigde hij z'n slappen gang, schoerde de schouders recht en öp en als ware het 'n wapen, nam hij den dunnen wandelstok met den gesneden, ivoren knop, welken hij onder den rechterarm geklemd placht te dragen, in de hand. En zoo met de lange, slanke gestalte hoog opgericht, den lijnen, hoekigen kop achter-over in den nek, leek hij krachtiger en energieker dan z'n zoon, die, de handen diep in de zakken van de slobberig-wijde overjas, 't hoofd als moe op de borst steunend, naast hem ging met sloomen stap en doorknikkende knieën.

Ze hadden, nadat Jacob de huisdeur achter zich had dichtgetrokken, geen woord nog samen gewisseld, beiden weg in eigen gedachten en de stem van den vader klonk wat heesch, als viel het spreken moeilijk, toen hij z'n zoon opmerkzaam maakte op den menschen-drom, die puilde de smalle Hoogstraat uit.

„Ja, allemachtig ja," zei toen Jacob of hij opschrikte uit gedroom, „wat 'n herrie al . . . Dat belooft wat voor vannacht; dat zal wel weer 'n zatte pan geven."

„Ik ben er bang voor," duchtte Leyter.

En het zwijgen herviel. Maar na 'n poosje — ze waren nu in het gewoel geraakt — zei Jacob op-eens, als schoot het hem nu eerst te binnen, wat aarzelig aanvankelijk :

„Ik ga nu wel met u mee naar kantoor, maar eigenlijk, ik weet niet wat ik er nog te doen heb. Die twee brieven kunnen nog wel tot Maandag blijven liggen. . . . Of-fe . . als u soms nog iets bizonders voor me heb. . ?"

„Niet dat ik weet," antwoordde Leyter.

„Nou, als u er dan niks op tegen heb, wip ik nog even naar Rotterdam met 'n trammetje."

„Vanavond?" vroeg de vader, hard van merkbare ontstemming.

„Och 'n uurtje." Jacobs stem sloeg lichtelijk over tot ongeduldigen kregel.

„Even 'n biertje pakken bij Pschorr. Ik ontmoet daar de lui. . . Van Deumen vroeg of ik kwam."