is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe wegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vader. Hij, Leyter, had er nooit van gehouden, altijd, ook vóór z'n trouwen, z'n genoegen thuis gezocht. Moest hij bij z'n oudste daar nu met kracht tegen ingaan. . ? Och, maar wat stond hij te filosofeeren hier in dit rumoer. Bij wien zou hij wat bestellen ? Henriet vond Beckers altijd zoo puik, maar om zoo'n end er voor te loopen . . . hij kon eigenlijk evengoed bij de Breede gaan, wel ja . . en dat was vlak bij. . .

Maar op de stoep voor de Breede's winkel viel het hem op-eens in, dat er altijd nog 'n onbetaalde rekening van den banketbakker op z'n kantoor lag, een van 't vorige jaar nog, één ook van de vele huishoudelijke rekeningen, die zich gestadig ophoopten in de groote la van z'n bureau. De onaangename, haast vernederende gedachte daaraan deed hem aarzelen den winkel binnen te gaan. Do(ch gemakzucht overwon vrij spoedig dien schroom. Zoo fijngevoelig hoefde hij niet te wezen, wat drommel. Hoeveel menschen lieten hun leveranciers niet lang op hun geld wachten en dat hij nu, den laatsten tijd, noodgedwongen was gaan afwijken van z'n goede, oude gewoonte om alles contant te betalen, dat maakte hem toch eigenlijk alleen maar gelijk aan die honderden anderen. Lam was het toch en als het even kon, moesten zulke dingen in het vervolg weer direct betaald, nam hij zich voor, terwijl hij de winkeldeur openzwaaide.

Doch bij z'n binnentreden bemerkte hij aanstonds, dat hij nog altijd 'n gewaardeerde klant was, want de lange, magere bakker met z'n bleeke gezicht, alsof het verstoven meel z'n blanketsel-witheid daar on-afwischbaar had opgelegd, patroon de Breede, die zelf was komen helpen, wijl z'n vrouw en de winkeldochter samen de drukte niet baas konden en nu bezig was pitmoppen af te wegen voor 'n burgerjuffrouw, verontschuldigde zich, met 'n onderdanigen glimlach en 'n tikje aan z'n hooge koksmuts, dat hij meneer Leyter moest laten wachten : hij zou meneer direct helpen; meneer had wel 'n oogenblikje geduld, niewaar ?

„Wel zeker de Breede," zei Leyter beminnelijk-joviaal, „doe maar op je gemak, man. Ik zal m'n beurt wel afwachten, als ik van 't jaar nog maar geholpen word."