is toegevoegd aan uw favorieten.

Nieuwe wegen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan als 'n verward geprevel, 'n dof gezoem van beteekenislooze klanken, die dreven zwaar en zonder heffing in de ruime beslotenheid van het gebouw. Er was 'n traag, als stroef beweeg van groepjes, die zich vormden en weer wegdunden en waar af-en-toe 'n graan-man, 'n aantal witlinnen, bol-puilende monsterzakjes aan den arm, snel tusschen-door beende, om 'n klant aan te klampen. Op sommige plaatsen leek de handel begonnen, werd gegesticuleerd, het hoofd geschud, met aandrang gepraat. De graanhandelaars toonden hun waren, lieten de brandershanden graaien in de volle builen. . dan werden de graankorrels bekeken, beroken, in den mond gewipt en gekauwd. En het loven en bieden volgde. Doch de commissionnairs in moutwijn slenterden nog rond, doelloos schijnbaar, voorzichtig wachtend. .

Terstond bij zijn binnenkomen had Herman Leyter naar Dierix uitgekeken en hij vond hem, na 'n poosje zoekens, van z'n gewone standplaats afgedwaald met 'n paar heeren in gesprek. En in het oogenblik van wachten overlegde de brander nog even, hoe hij de zaak met den kassier bespreken zou. Hij besefte eigenlijk nu eerst, dat het toch wel 'n pijnlijk-discreete kwestie was, die hij ging aanroeren. Nochtans, het moest en toen dan ook Dierix, vrij plotseling, eerder dan Leyter had verwacht, de heeren verliet, ging hij besloten, schoon innerlijk 'n weinig nerveus, op hem af en, hem onder den arm nemend, voerde hij den kleinen, dikken effecten-man onder de boogen-gang, die 'n paar treden öp, rond-om loopend,'n stil-schemerigbeurs-deel vormt.

Daar, z'n stem tot vertrouwelijk fluisteren dempend, polste Leyter of z'n schoonvader den laatsten tijd nog wel 'ns zaken met hem deed en na het vage antwoord van Dierix kwam hij er met amicale mededeelzaamheid voor uit, wat de eigenlijke aanleiding was voor z'n misschien wat onbescheiden klinkende vraag, verontschuldigde hij zich. Want de kleine kassier-en-makelaar-in-effecten liep hem onder z'n spreken voortdurend aan te staren met, achter z'n goud-omrande brilleglazen, vreemd-groote oogen, wat Leyter 'n heimelijke, verlegenachtige onzekerheid gaf.

„Wel nee," zei eindelijk Dierix op z'n langzame, zekere