is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een reuzenwerk ! Nabij 1500 4° bladzijden, boven de 28 duizend woorden, al uit den mond des volks vernomen, opgezocht bij vakkundigen en ambachtslieden, gewikt en gewogen gelijk in eene goudschaal, vergeleken bij vormen van oude schrijvers, verklaard door gewoonten, rechtsplegingen en bijgeloovigheden van uit verre tijden (1). Eene merkweerdige inleiding maakt den lezer nader bekend met de West-Vlamingen en hunne taal (zie bladz. ) en met het doel van het Idioticon.

Een onsterflijk gewrocht is het, dat Gezelle voor zijne oogen ziet leven en begeesterd aanspreekt: « Dierbaar en welsprekend overblijfsel van den weisprekenden en welschrijvenden meester, dien gij beter als ooit eene vergankelijke lichtprente, overal vertegenwoordigen zult ! — Struisch en welvarend kroost dat hij met zooveel en langen en lastigen arbeid gekweekt, gekastijd, gekleed en gereed heeft! — Dierbaar kind, dat noch broeder, noch zuster, noch weerga en hebt in Vlaanderen; gij eilaas ! die voortaan een weezekind wezen zult en blijven, ja, en... gij hebt uw vader zijn dood gekost ! »

Het « Westvlaamsch Idioticon » bij zijn verschijnen (1870-73) wierd hertelijk verwelkomd door hen aan wie het opgedragen was, de opstellers van het « Woordenboek der Nederlandsche Taal » en alle liefhebbers van 't Westvlaamsche dialect. Lof verdiende het zeker, en het ontbrak De Bo niet aan kostbare blijken van hoogschatting vanwege bevoegde taalminnaars.

(1) Men leze o.a. den uitleg van : « Op d'hage slaan; hier ware 't goed haver zaaien ; hatenijd ; heke-penning ; de varende vrouwe ».