is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij was alleen bekwaam te spreken en te leeren;

Te horken was ons recht, onze eere en onze plicht Naar hem die, zwijgend nu, de hand behoort des Heeren, En veel te vroeg eilaas ! voor onze voeten ligt.

Waar zouden wij, 't is waar, 't zij enden of beginnen Te loven aan het werk, dat zijne kunste ontviel ?

Veel beter zullen wij den kunstenaar beminnen.

En leven in den glans van zijne groote ziel.

Hij leve dan, ofschoon de pijl hem kwam te kerven

Den levensdraad in tween, die uwe hand ontvlood... Hij leve, om in ons hert voortaan niet meer te sterven,

Van uwe schichten vrij, o overwonnen dood !

* * *

Als die eerste verslagenheid over was, gevoelde iedereen dat een rouwige stilzwijgendheid wel had kunnen doorgaan als een onedel vergeten, of toch daartoe kon brengen. Dankbaar integendeel bleef men den grooten Vlaming en dit moest men plechtig en openbaar toonen: dat lag zijnen vrienden en vereerders op 't herte.

De eerste hulde zou geschieden in h.;t Vlaamsch stedeken waar De Bo studeerde: den 30 September van hetzelfde jaar stroomden te Thielt rond de acht honderd vrienden en bewonderaars van De Bo samen, en woonden eerst eenen plechtigen rouwdienst bij tot ziellafenis van den afgestorvene. — Al wat aan den gevierden Vlaming toebehoord had, handschriften, kruidboeken, zijn parochieboek van Elverdinghe (1), tot zijne korte

(1) Het bevat de namen van De Bo's parochianen met hunnen geslachtsboom en meer inlichtingen: zoo klimt De Bo op tot den vijfden graad in zijne familie en vermeldt dat een oude oom te Marialoop doodgesteken wierd door de Franschen, eene oude moei doodgebliksemd ondereenen boom.