is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch is onze hooveerdigheid! Daar ik vóór mijne oogen de hand van God zag die mij uit den afgrond hielp, had ik geroemd, niet op zijnen bijstand, maar op mijne macht; en al God bedankende luidop over zijne genade, beloofde ik mij in 't stille van mijne deugdzaamheid. Om mij eindelijk mijne krankheid te doen gevoelen, liet God mij aan de stormen van de wanhoop over.

Laurens en kreeg het einde van den dag niet, hij stierf tegen den avond; en dede 't niet mijne spoedige wederkomst, ik had hem voorzeker niet meer levende kunnen omhelzen; want mijne zorgen en de blijdschap van mij weder te zien verlengden nog eenige uren dit leven zoo zeere en zoo pijnlijk afgesneên : Tanquam flos agri, sic efflorebit! (1) Ik zelf begroef hem. Ik mag zeggen, eer zijn lijk geschrijnd wierd, dat ik het wiesch met mijne tranen. Hij was geheel mijne familie. Hij verdwenen, bleef er mij van dezen, die mij bemind hadden, niets meer over. Ik was alleen, gansch alleen op de wereld : Similis factus sum pellicano solitudinis (2). Gij wildet 't zoo, mijn God ! Deze banden moesten gebroken, want mijne familie en was mijne familie niet meer, en gij hadt mij nieuwe banden gevlochten, heiliger banden dan deze van 't vleesch en 't bloed ! Maar ten dien tijde en verstond ik dat niet.

Ik had een gedacht gekregen, dwaas genoeg, gevaarlijk, onweerdig van mijn priesterdom. Ik wilde, in de kerk, voor al het volk dat buiten twijfel naar de uitvaart van Laurens zou komen, en in de tegenwoordigheid van zijne lijkschrijne, eens ruim mijn hert ontlasten, mij wreken over

(1) Dat is : Gelijk eene bloem des velds, zoo zal hij ver-welken.

(2) Dat is : Ik ben gelijk geworden aan den pelikaan van de woestijne.