is toegevoegd aan uw favorieten.

Deken De Bo, een groote Vlaming

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en, na de eenvoudige kamer van Edmonda, met den troost in 't hert en in de oogen, nog eens beschouwd te hebben, gingen wij de scholen bezoeken en het hospitaal. De bezonderheden, die 'k daar vernam, hoewel verrukkende schoon om vermelden, laat ik hier onverlet, om mijn verhaal niet te lang te trekken. Konden zij mijne genegenheid voor den achtbaren pastor niet vergrooten, zij mieken toch dat ik hem nog meer bewonderde. Zijne vlijtige liefdadigheid, die in alles voorzien had, scheen ten verste gekomen te zijn, dat men niet verder en kan; hij alleen en was nog niet tevreden. Hij wilde maar voort nieuwen grond winnen, en hij deed mij uiteen wat hij beraamd had om ook de naburige parochiën te bekeeren. Zijn hospitaal moest eene algemeene schuilplaats worden, waar men, van tien uren in t ronde, blind en kreupel aan zou brengen, ziek en zuchtig zou aanveerden.

Wel ja 'k, „ zeide hij, " alle die nulliteiten, zoo zij meenen, wil ik bij onze geburen afhalen, en hun, in de plaats, Zusters zenden die hun zullen leeren zulke schatten niet meer verachten. Zij zijn er beter toe bereid dan zij het denken. Al den kant, waar gij mij te voornoene gevonden hebt, ben ik nog in den haat; maar al den anderen kant, tel ik reeds vrienden, 't Is verloren, 'k wil bemind zijn overal, opdat men Hem beminne die mij zendt. Eer ik het nog vergeet, gij en moogt het hier niet vermonden dat men achter mij met steenen geworpen heeft; onze jongheden en zouden 't niet laten liggen, en zondag na de Vespers trokken er voorzeker eenigen derwaarts om het hun daar met gelokene vuisten te betalen.

Het wierd allengskens avond. Ik verzocht den goeden