is toegevoegd aan uw favorieten.

Oude glossen en hun beteekenis

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Latere engelsch kent skipper, smack, bumboat, reef, ballast, ahoy, yacht (i) : vanwaar deze?

Hoe staat 't over kleiner gebied met de welbekende tjalk (2)? Als (kiel?)bootje, zou dit een eigen soort Friesche schuit kunnen zijn, evenals de « kogge », van de Xe eeuw, en misschien al vroeger. De Friezen toch hoorden « tot de koenste en ondernemendste zeevaarders der middeleeuwen » (3). Tjalk zou dan een kleine vikingerboot zijn; deze heette ook cyula {— « kiele »?) (4). 't Kunnen deze « parvissimae vehiculae », scheepjes, « tjalken » (5), geweest zijn, die de « Teisterbantsche Friezen » volgens de Annales Fuldenses, a° 885, gebruikten, evenals in hun gewone doen (6), om naar de ingevallen Noormannen toe te varen, en dezen op de vlucht te drijven. Geroeid kunnen ze worden, maar ook voortgeboomd; en ze kunnen zeilen. Nog heeft de zoogenoemde Friesche boot, 't zeiljacht van de Friezen, een tjalkmodel, als is 't eenigzins boller, platter en breeder.

(1) Skeat, Etym. Dict. 750. Zie ook Oxhoofd.

(2) Zie Taal en Letteren, I, 250.

(3) Zie daarover Dietr. Schafer, ia de Bijdragen van het Historisch Genootschap te Utrecht, XXVII (1906), blz. LV. Veel meer als tot nog toe moet bij 't etymologiseren tiaam en ding samen bestudeerd. Vgl. Meringer's tijdschrift Worter und Sachen, Kulturhistorische Zeitschriftfiir Sprach- und Sachforschung {1909, ff.).

Over de kogge ais friesch schip : W. VogeL in de Hansische Geschichtsbldtter (1907), 191.

(4) Historia Gildae, aangehaald door Poelman, Geschiedenis van den Handel, blz. 154.

(5) langzamerhand deze de groote tjalken van nu zijn geworden, bewijst niet tege j hun vioegere kleinheid : alle scheepstypsn zijn enorm veel grooter!

De oudste schepen waren geheel platboomde vaartuigen. Scherpkielen zijn van later tijj.

(6) «Ut eis est consuetudo ».