is toegevoegd aan uw favorieten.

Dichters uit Zuid-Afrika

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot spreken gedrongen wordt, dan heëft het verstand niet langer te beslissen over 't meest geschikte uitingsmiddel; dan komen spontaan het gevoel en de hartstocht aan 't woord, en niet langer in 'n aangeleerde, maar in de eigen moederspraak:

"Dan, weg met de oneigene

tale en den schijn van elders geborgde gepeizen;

mijn zijt gij niet, uw dat en

wille ik niet zijn,

dat in mij en aan mij is dat heete ik mijn:

oneigene, ik late u . .. gaat reizen!"

In zulke perioden van het volksbestaan wordt ook de volkspoëzie geboren.

Vandaar reeds tijdens de strijd en onmiddellik daarna die spontane opbloei van 'n zuiver nationale verskunst, aanvankelik schuchter weliswaar, tegen alle vooroordeel in naar 'n eigen richting zoekend, maar toch doelbewust, met 'n eigen klank, dieper en zuiverder dan de gemoedelikgeestige proeven van de voör-de-oorlogse periode.

Dat was, in de woorden van Pres. Steijn, „die geluid van die eerste reëndruppels na 'n langdurige droogte", weldra gevolgd door 'n verkwikkende regen — de aankondiger van 'n nieuwe lente, van de-tot-kunst-wording in de ongekunstelde volkstaal van 'n eigen, ontwakend geestesleven.

De vraag kan gesteld worden, hoe 't komt dat er pas aan 't begin van de twintigste eeuw, dus ruim 250 jaar na de vestiging van 'n Europese beschaving op Zuidafrikaanse bodem, sprake is van 'n Afrikaanse „letterkunde"?

Het antwoord is niet ver te zoeken. Kunst toch kan alleen bloeien in 'n betrekkelik rustige, welgeordende en welvarende samenleving, en het behoeft geen betoog dat zulk 'n toestand vreemd moét zijn aan het leven van Dichters uit Zuid-Afrika. ■ 2