Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ropeesche* als bij de »Indische« Europeanen en zich allereerst richten op de opheffing uit de tegenwoordige diepte van den Indisch-Europeeschen middenstand!

De Herdenking onzer honderd-jarige Onafhankelijkheid en de Beoefening der Indische talen.

Eenig verband tusschen de herdenking onzer honderd-jarige onafhankelijkheid en de beoefening der Indische talen kan in zooverre gevonden worden, dat vóór honderd jaar nog geen sprake was van een

tusschen-bewind de beoefening der Javaansche Letterkunde een aanvang heeft genomen. Vóór dien tijd was alleen iets over den inhoud van eene Javaansche Babad gepubliceerd door Josua van Iperen in de eerste deelen der «Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen», echter meer als geschiedkundige bijdrage, dan met het doel iets omtrent de Javaansche letteren bekend te maken. Het groote werk van Raffles : »the History of Java* verscheen evenwel eerst in 1817, dus nog binnen de laatste eeuw.

Van hoeveel gewicht dit werk voor zijn tijd ook was, zoodat het op heden zijn belang nog niet geheel verloren heeft, zoo is alles wat daarin wordt mede-

Het paleis te Buitenzorg-,

eigenlijk bestudeeren dier talen, noch van hare letterkunde, en dus nagenoeg alles wat thans daarvan geweten wordt, binnen die tijdruimte is bekend gemaakt.

De inrichting der O. I. Compagnie bracht de noodzakelijkheid van eene praktische kennis in 't algemeen 1 iet mede, en voor eene wetenschappelijke belangstelling in die talen waren de tijden nog niet rijp; slechts ter wille der Bijbelvertaling werd eenige aandacht aan het Maleisch geschonken, zoodat reeds in 1736 de Maleische spraakkunst van Werndly in het licht verscheen.

Wat nu meer bepaaldelijk het Javaansch betreft, kan men zeggen, dat eerst gedurende het Engelsche

gedeeld omtrent de Javaansche en oud-Javaansche Letterkunde toch eigenlijk kennis uit de tweede hand, zonder eenige critiek verzameld uit mededeelingen van kundige Inlanders, waarbij het Maleisch als voertaal dienst deed.

W as dus een niet-Nederlander de eerste, die eene meer bepaalde studie maakte der Javaansche letterkunde, ook wat het eerst als proeve eener meer geregelde beoefening der taal in 't licht verscheen, was niet aan een Nederlander te danken. Als zoodanig kunnen genoemd worden de in 1830 gedrukte «Proeve eener Javaansche Spraakkunst* van den Zendeling C. Bruckner, die in 1814, dus tijdens het Engelsche tusschen-bestuur, op Java gekomen was, en wien de

Sluiten