Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geëerd en door de scherpe controle der commissarissenpolitiek en door herhaalde overplaatsing in hun arbeid gehinderd. In den loop der 18e eeuw was er eenige verbetering gekomen, der kerk werd wat vrijer beweging gegund, hare dienaren werden wat beter betaald en niet zoo dikwijls meer als «suppoosten der Compagnie* grof behandeld; ook drong de tolerantiegeest van het tijdperk in de koloniën door en erlangden remonstranten, lutherschen en roomschen naast de gereformeerden eenige rechten. Maar wezenlijke verbetering trad niet in, de lust om de Indische kerk te dienen verminderde begrijpelijkerwijze van jaar tot jaar en, toen in 1798, bij de nieuwe staatsregeling, 's Compagnie's octrooi werd vernietigd en het opperbestuur aan den Staat kwam, veranderde zij wel van meester, maar haar lijdenstijd had niet uit Noch onder Daendels, noch onder het (Engelsch) bewind van Raffles vermocht zij zich tot ook maar eenigen bloei te verheffen en bij den overgang van de jaren 1816 en 1817 telde zii

over het gansche gebied .... vijf predikanten. Wel terecht dan noemden wij het hoog noodig, dat koning Willem I zich hare belangen aantrok. Hij deed het, aanstonds, met energie en met liefde. Want, gelijk bekend is, hij droeg der hervormde kerk een goed hart toe.

In Nederland kon hij dat niet in zulke daden omzetten als hij wilde. De grondwet van 1814 gaf in artikel 139 den Souvereinen vorst nog het recht van beschik¬

king omtrent de inrichting der kerken, die van 1815 schrapte vooreerst de bepaling, dat de hervormde godsdienst die van den vorst was en liet van artikel -139 slechts over (in art. 196), dat de koning zorgt, dat geen godsdienst gestoord wordtin zijne grondwettelijke vrijheid. Toch heeft Willem I zelfs in Nederland nog der hervormde kerk haar Algemeen Reglement kunnen geven In Indië had hij de handen geheel vrij, volgens de door de Regeering altijd voorgestane opvatting van art. 60 der grondwet van 1815, aldus luidende: »De koning heeft bij uitsluiting het opperbestuur over de volkplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen». Laat ons zien wat hij tot stand bracht.

Reeds den 4den September 1815 verscheen een besluit des konings, waarbij werd bepaald dat het Departement voor Koophandel en Koloniën voortaan de kerkelijke zaken zou behandelen en dus bijgevolg alle «officieele communicatiën en correspondentiën" die belangen betreffende, slechts langs dien weg zouden mogen plaats hebben. Voorts zou er, ter behartiging van de belangen der hervormde Kerken in Neêrlands

Willemskerk te Batavia.

Oost- en West-Indië, eene commissie worden benoemd van zeven predikanten uit 's-Gravenhage, Delft of andere naburige plaatsen, benoemd, let wel,' op voordracht niet van eenig kerkelijk lichaam, maar van de departementen van Binnenlandsche Zaken en van Koloniën. Ook wordt hier nog bij uitsluiting gewaagd van de hervormde kerken. Deze commissie zou dan kunnen worden aangevuld met correspondeerende leden uit verder" gelegen plaatsen, en hiertoe zouden bij voorkeur in aanmerking komen voormalige „deputaten ad res Indicas," leden der classis Amsterdam, die sinds een paar eeuwen (voor 't eerst in 1621) voor de belangen der Indische gemeenten hadden zorg gedragen, maar in 1795 voor goed waren afgetreden. Deze commissie moest, „onder het toeverzigt" van Binnenlandsche Zaken, voorstellen doen, rapport uitbrengen over allé stukken door de regeering in hare handen gesteld, betrekkingen onderhouden met bijbel- en zendeling¬

genootschappen en,eindelijk, proponenten, voor de koloniën bestemd, examineeren en predikantenbevestigen. Men ziet het, de koning

' o

nam de gansche kerkelijke regeering in handen. Hij gaf geene vrijheid, maar — hij zorgde wel. De compagnie had evenmin vrijheid gegund, maar bovendien slecht gezorgd. Nog in dit jaar 1815, bij Kon. besluiten van 4 Sept. en 13 October, werd de „Provisioneele commissie voor de zaken der hervormde kerken

/~\ T-ÏT T ,

in w. en w. nrhe«

benoemd. Zij bestond uit de Haagsche predikanten M. Jorissen, W. L. Krieger, J. B. Noordink, R. P. van de Kasteele, J. J. Dermout en B. Verweij en den Delftschen J. J. Metelerkamp ; voorts hadden zitting de correspondeerende leden prof. te Water van Leiden, Heringa van Utrecht, Muntinghe van Groningen en v. Ruijs Klinkenberg van Amsterdam en nog enkele predikanten. Zij hield hare eerste vergadering den 21sten November, waar de candidaat G. B. Bosch werd geëxamineerd en gezegend tot den dienst der gemeente te Curagao. Ook werd in die maand door Z. M. de commissie nog uitgebreid met enkele correspondeerende léden, onder wie dr. Snouck Hurgronje van Middelburg.

Maar, helaas, zij overhaastte zich, naar vaderlandsche zede, niet ; zelfs van eenige briefwisseling met de gemeenten over de zee blijkt niets. En reeds na vijf jaar onderging zij eene gedaanteverwisseling.

Bij Kon. Besluit van 7 December 1820 nl. wordt haar naam verandert in »Commissie voor de zaken der protestantsche Kerk in Neêrl. O. en W. Indië . Wat is een naam? Ja, maar hier beteekent

Sluiten