Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoeven geene herbenoeming of erkenning om hunne betrekking te blijven bekleeden.

zesde lid, zooals zij bij deze wet zijn vastgesteld, op 1 Juli 1901.

Artikel 26, eerste lid, treedt voor zooveel betreft het bepaalde sub 1°. en 2°., iu werking op 1 Januari 1902, doch indien de jaarwedde van hoofden van scholen of onderwijzers van bijstand, op die dagteekening aan openbare lagere scholen verbonden, meer dan een honderd vijftig galden lager is dan de som waarop krachtens die wetsbepalingen aanspraak kan worden gemaakt, wordt de jaarwedde verhoogd met ingang van 1 Januari 1902 met ten minste een honderd vijftig gulden en uiterlijk 1 Januari 1903 met het dan nog aan het wettelijk minimum ontbrekende bedrag.

De wijziging bij deze wet gebracht in artikel 4 5 wordt voor het eerst toegepast op het dienstjaar 1902.

Over de voorafgaande dienstjaren blijft artikel 45, zooals dat thans luidt, van kracht.

Indien de bijdrage voor onderwijzers volgens het bij deze wet gewijzigd artikel 45 der wet van 17 Augustus 1878 (Staatsblad n°. 127), over eenig dienstjaar voor eene gemeente minder mocht bedragen dan de som der Rijksvergoeding in de kosten van het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaften van noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, waarop die gemeente krachtens evengenoemd wetsartikel, zooals dat luidt volgens de wet van 11 Juli 1884 {Staatsblad n°. 123), over 1889 aanspraak kon doen gelden, zal het Rijk aan zoodanige gemeente in plaats van de bijdrage voor onderwijzers, hierboven vermeld, uitkeeren het bedrag, waarop zij, naar den regel van het aangehaald artikel 45 der wetten van 1R78/R4, als Ri'iks vergoed in ? in de kosten van

het lager onderwijs, niet medegerekend die voor het stichten van schoollokalen en onderwijzerswoningen en het aanschaffen van de noodzakelijke schoolmeubelen bij eerste inrichting van nieuwe lokalen, over dat dienstjaar aanspraak zouden hebben gehad, doch in geen geval tot een hooger bedrag dan haar dienovereenkomstig over 1889 toekwam.

De uit keering dezer vergoeding geschiedt met inachtneming van het gestelde maximum en behoudens aanvulling of terugbetaling, na vaststelling der gemeente-rekening, bij wijze van voorschot op den grondslag der goedgekeurde begrootingcijfers.

Zoodra over eenig dienstjaar de bepaling van het vijfde lid op eene gemeente niet behoeft toe-

Sluiten