Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overwegende dat het nuttig is voorschriften te geven omtrent de zamenstelling en den werkkring der commissiën, die worden belast met het afnemen der examens in de Frausche, Engelsche en Hoogduitsche talen, waarvoor de programma's bij Ons beslnit van 3 Augustus 1879 (Staatsblad n°. 148) zijn vastgesteld;

Den Raad van State gehoord (advies van den 5 Augustus 1879, n°. 4);

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 6 Augustus 1879, litt. J, afdeeling Onderwijs;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Art. 1. Tot het afnemen der examens in de Fransche, Engelsche en Hoogduitsche talen waarvoor de programma's zijn vastgesteld bij Ons besluit van 3 Augustus 1879 (Staatsblad n°. 148), worden door Onzen Minister, met de uitvoering der wetten tot regeling van het lager en middelbaar onderwijs belast, voor elke taal afzonderlijk telken jare een of meer commissiën benoemd.

2. Het getal der commissiën voor elke taal is zoodanig, dat niet meer dan honderd en vijftig candidaten door dezelfde commissie worden onderzocht. De verdeeling der werkzaamheden tusschen meerdere commissiën, zoo die er zijn, wordt door Onzen voornoemden Minister geregeld.

3. Tedere commissie bestaat uit ten minste vijf leden. Hun worden twee plaatsvervangers toegevoegd.

4. Onze voornoemde Minister wijst één van de leden der commissie tot voorzitter aan. De commissie benoemt een ander harer leden tot secretaris.

5. De voorzitter belegt vergaderingen zoo dikwijls hij het noodig acht en wijst de lokalen aan, waar de examens worden afgenomen.

6. Onze voornoemde Minister maakt telken jare door middel van de Nederlandsche Staatscourant het tijdstip bekend, waarop de verschillende commissiën hare werkzaamheden zullen aanvangen en den termijn binnen welken ieder die tot het afleggen van examens bij de commissie verlangt te worden toegelaten, zich schriftelijk bij hem zal kunnen aanmelden met overlegging der bij de wet

Lager Ondertc , 13e dr. 7

Sluiten