Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Den Raad van State gehoord (advies van 11 Februari 1890, n°. 21);

Gezien het nader rapport vau Onzen voornoemden Minister, van 15 Februari 1890, n°. 898, afdeeling Algemeene Zaken en Comptabiliteit en n°. 497, afdeeling Onderwijs;

Hebben goedgevonden en verstaan, te bepalen: Art. 1. Jaarlijks in de tweede helft der maand Januari zendt het bestuur der bijzondere lagere school, dat op de Rijksbijdrage, bedoeld bij art. 54bis der wet tot regeling van het lager onderwijs aanspraak maakt, aan den distriets- eo aan den arrondissements-schoolopziener in wier ambtsgebied de school gelegen is, eene opgave:

1°. van de namen, voornamen en ouderdom van de op den eersten dag dier maand aan de school verbonden onderwijzers bedoeld in art. 23 en 24 dier wet, met vermelding van de akten van bekwaamheid die zij bezitten en tevens of zij aan andere scholen verbonden zijn;

2°. van het aantal kinderen dat op den vijftienden dag dier maand als werkelijk schoolgaande bekend stond, met vermelding van het aantal kinderen boven de zes jaren.

Bij opening der school in den loop van een jaar zendt het bsstuur aan den distriets- en aan den arrondissements-schoolopziener eene opgave: 1°. binnen tien dagen na die opening, van de namen, voornamen en ouderdom van de bij de opeuiug aau de school verbonden onderwijzers bedoeld in art. 23 en 24 der wet, met vermelding van de akten van bekwaamheid die zij bezitten en tevens of zij aan andere scholen verbonden zijn;

2°. binnen tien dagen na den laatsten dag der maand volgende op die waarin de school geopend is, van het aantal kinderen dat op gemelden laatsten dag als werkelijk schoolgaande bekend stond, met vermelding van het aantal kinderen boven de zes jaren.

Van elke vacature en van elke verandering in het onderwijzend personeel, in het 1ste en 2de lid sub 1°. bedoeld , in den loop van het jaar voorkomende, doet het bestuur aan den distrietsen aan den arrondissements-schoolopziener mede-

Sluiten