Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vastgesteld, volgens welke eene Rijksbijdrage kan worden verleend aan normaallessen eu aan hoofden van scholen, voor elk der door hen opgeleide personen , die de akte, bedoeld in art. 56 onderga:, hebben verkregen;

Den Raad van State gehoord (advies van den 11 Maart 1890, n°. 12);

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister, van 29 Maart 1890, n°. 971, afdeeling Onderwijs;

Hebben goedgevonden en verstaan te bepalen :

Art. 1. Jaarlijks, in de maand December, wordt door Ons, tot een maximum van vijfhonderd gulden, het bedrag der Rijksbijdrage vastgesteld, dat aan gemeentelijk en aan bijzondere normaallessen en aan hoofden van scholen zal worden verleend voor elk der door hen in den loop van het daaropvolgende jaar ter opleiding tot onderwijzer aan te nemen personen, nadat deze de akte, bedoeld in art. 56 onder a der wet tot regeling van het lager onderwijs, zullen hebben verkregen.

Voor hen, die bij het in werking treden van dit besluit ter opleiding tot onderwijzer zijn en die in den loop van 1890 zullen worden aangenomen , wordt het bedrag der Rijksbijdrage door Ons vastgesteld vóór 1 Mei 1890.

Onze in dit artikel bedoelde besluiten worden in de Staatscourant openbaar gemaakt.

2. Om voor de Rijksbijdrage in aanmerking te komen wordt vereischt dat de personen die de akte van bekwaamheid als onderwijzer hebben verkregen :

1°. bij den aanvang der opleiding hun vijftiende jaar waren ingetreden;

2°. gedurende ten minste twee jaren onafgebroken zijn opgeleid;

3°. voor het geval de opleiding door het hoofd eener school geschiedt:

a. gedurende ten minste twee jaren onmiddellijk voorafgaande aan het afgelegd examen onafgebroken op den voet van artikel 8 der wet tot regeling van het lager onderwijs in de school als kweekelingen waren toegelaten; of

b. gedurende ten minste twee jaren onrnid-

Sluiten