Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opziener eene voordracht op van ten minste drie personen, of zoo er slechts twee of een ouderzocht worden, van twee of een.

Hij brengt op die voordracht, voor zooverre zij meer dan één persoon bevat, degenen, die de eersten op de ranglijst staan.

13. De districtsschoolopziener zendt de voordracht aan den gemeenteraad, uiterlijk binnen veertien dagen na den afloop van het onderzoek.

Hij voegt daarbij een afschrift van de ranglijst en een met redenen omkleed advies omtrent de voorgedragen candidaten.

14. Neemt de, ten gevolge van een vergelijkend onderzoek, benoemde die benoeming niet aan, dan geven burgemeester en wethouders daarvan oumi Idellijk kennis aan den districts-schoolopziener, die de voordracht uit de op de ranglijst voorkomenden aanvult en daarvan binnen acht dagen inededeeling doet aan deu gemeenteraad.

Kan zoodanige aanvulling bij gebrek aan onderzochte candidateu niet plaats hebben, dan bepaalt zich de keuze van den gemeenteraad tot een der overige op de voordracht geplaatsten, tenzij de districts-schoolopziener een nieuwe oproeping noodig acht.

15. Geschillen, uit de toepassing van dit besluit oprijzende, worden onderworpen aan de beslissing van den Minister, die met de uitvoering der wet tot regeling van het ouderwijs belast is.

16. Dit besluit treedt in werking op 1 Januari 1891.

Met gelijke dagteekening zijn de Koninklijke besluiten van 28 Mei 1879 (Staatsblad n°. 104) en 25 April 1882 {Staatsblad n°. 57) vervallen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan den Raad van State.

's Gravenhage, den 17den December 1890. ((/et.) EMMA.

De Minister van Binnenlandsche Zaken, (get.) de Savornin Lobman.

(TJitgeg. 22 Dec. 1890.)

Sluiten