Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het derde lid van dit artikel is niet van toepassing wanneer de gemeente over een dienstjaar de bijdrage voor onderwijzers, volgens het bij de wet van 24 Juni 1901 {Staatsblad n°. 187) gewijzigd artikel 45 der wet van 17 Augustus 1878 {Staatsblad n°. 127) heeft genoten.

6. Onze voornoemde Minister regelt het juiste cijfer van het bedrag, waarop elke gemeente over dat dienstjaar aanspraak heeft als uitkeering, nadat de opgaaf bedoeld in artikel 5 bij hem zal zijn ontvangen.

Hij doet daarvan mededeeling aan de Algemeene Rekenkamer en aan Gedeputeerde Staten.

Het verschil tusschen het bedrag van de verschuldigde uitkeering en dat van het door de gemeente genotene, beiden tot eenzelfde dienstjaar betrekking hebbende, wordt, hetzij ten laste van een volgend dienstjaar aan de gemeente uitgekeerd, hetzij op het voorschot over een volgend dienstjaar verhaald , al naar gelang het genoemd verschil ten voordeele van de gemeente of van het Rijk is.

7. Jaarlijks onderzoekt Onze voornoemde Minister, voor zooveel betreft de in dit besluit bedoelde kosten, de verzamelstaten en bijlagen van eenige gemeenterekeningen.

Hij zendt ze aan Gedeputeerde Staten terug met mededeeling van de opmerkingen waartoe zijn onderzoek heeft geleid en wijzigt, zoo noodig, het bedrag der uitkeering.

8. De opgaven in de artikelen 1 en 5, de declaratiën in de artikelen 3 en 4 bedoeld, benevens de akte van taxatie in laatstgemeld artikel genoemd, worden opgemaakt in den vorm door Onzen Minister voorgeschreven. (1)

Die opgaven worden voor de eerste maal ingezonden over het dienstjaar 1902.

9. "Waar dit besluit niet uitdrukkelijk van mannelijke onderwijzers spreekt, worden met „onderwijzers" evenzeer „onderwijzeressen" bedoeld.

10. Het Koninklijk besluit van 13 September 1890 {Staatsblad n°. 154) blijft voor de dienst-

(1) Een en ander is voorgeschreven bij besluit van den Minister van Binnenlandsche Zaken van

20 December 1901, 11°. Afd. A. Z. C.

Sluiten