Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 2 vijfde lid der Boterwet.

Op heden den (datum, jaar met tijdsbepaling) werd door mij (naam, qualiteit en woonplaats) gezien en waargenomen, dat R .

R . . . . geboren te den .... 18 . .

van beroep winkelier, wonende te ... in zijn aan de . . . straat aldaar gelegen kruidenierswinkel, zijnde een voor het publiek toegankelijke verkoopplaats, .Margarine" voorhanden had, althans, dat op de verpakking van bedoelde waar het woord „Margarine" voorkwam, waarmede blijkbaar die waar werd aangeduid, zonder dat onmiddellijk boven de buitendeur die toegang tot dien winkel geeft, noch op een der winkelramen, die zich het dichtst aan weerszijden van die deur bevinden in duidelijke en voor het publiek duidelijk zichtbare letters het opschrift „Margarine" was gesteld.

Genoemde winkelier erkende in zijn winkel „Margarine" voorhanden te hebben en tevens, dat onmiddellijk boven de buitendeur, die toegang tot dien winkel geeft, noch op een der ramen, die zich aan weerszijden van die deur bevinden het opschrift „Margarine" was gesteld.

Ik heb van die waar twee monsters genomen, welke ik in vanwege het Departement van Landbouw, Nijverheid en Handel verstrekte busjes, in 't bijzijn van genoemden winkelier verpakte, verzegelde met lak en stempel en waarmerkte met .... om die op te zenden aan den Heer Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten te . . . . (*)

Van zijne bevoegdheid om de monsters met zijn eigen zegel te voorzien, is door genoemden R . . . R . . . . (geen) gebruik gemaakt.

De marktwaarde der genomen monsters zijnde f . . heb ik aan hem vergoed.

Waarvan door mij op afgelegden ambtseed dit proces-verbaal is opgemaakt.

. . . . den .... 19 . .

(Handteekening).

(*) Kunnen per post onder dienst verzonden worden.

Sluiten